Huizinga als pionier

Wij leven in het public relations-tijdperk en wij zullen het weten ook. Elke club, vereniging, stichting of instelling heeft tegenwoordig zijn eigen tijdschrift, mededelingenblad, nieuwsblad of hoe zo'n orgaan ook mag heten. De minister heeft het, de universiteiten hebben het, de Akademie heeft het en sinds enige tijd heeft ook de Nederlandse onderzoeksorganisatie, NWO, een eigen periodiek. Het is door een echte ontwerper ontworpen en de naam is dus niet goed leesbaar. Omdat het er door zijn verfijnde pasteltinten en kleurschakeringen uitziet als een blad dat zich bezighoudt met het Hogere, dacht ik eerst dat er Hypnose of Synthese stond, maar als je goed kijkt, zie je dat het Hypothese heet. Een mooie naam.

Zoals iedere club haar orgaan heeft, zo heeft ieder orgaan zijn column. Die vinden wij dus ook in Hypothese. De column in het laatste nummer is van de hand van Herman Pleij. Achter deze gemoedelijke benaming gaat een echte geleerde schuil, prof. dr. H. Pleij, hoogleraar in de middeleeuwse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. De column van Pleij heet 'Fondsverwerving als kunst'. Pleij kritiseert hierin het bestaande stelsel van onderzoekssubsidies met zijn ingewikkelde procedures, gedetailleerde onderzoeksvoorstellen, onmogelijke vragen over planning, fasering et cetera.

Zelden heb ik een column met zoveel instemming gelezen. Het beoordelen en bespreken van onderzoeksvoorstellen behoort tot de ernstigste verschrikkingen van het academisch bestaan. Met huiver denk ik terug aan de jaren dat ik in een bestuur zat dat over die dingen ging en een paar promotiebeurzen per jaar moest verdelen onder enige tientallen onderzoekers. Het is moeilijk te zeggen wat erger was: het lezen van al die onleesbare onderzoeksvoorstellen of het praten daarover. Dat praten ging als volgt: “Ik vind dit wel een A, maar dan toch een lage.” “Nou, nee toch, ik kom niet hoger dan een B. Het is veel te weinig uitgewerkt. De aanvrager moet het eerst maar eens bijstellen (c.q. inperken, c.q. uitwerken, naar keuze), dan kunnen wij er volgend jaar weer eens naar kijken.” Enzovoorts, enzovoorts. Volgende project: “Duidelijk een C voor mij.” “Hee, wat gek, ik kom tot een B!” “Wat? Een B, vind je? Kan het geen kleine A worden?”

En het werd middag en avond. De eerste dag. Na die avond volgde een nacht op de Veluwe in De Malle Jan of Nol in 't Woud of de Lunterse Boer of hoe die hotels allemaal heten. En dan werd het weer ochtend en weer middag. De tweede dag. Maar de onderzoeksvoorstellen zelf waren zo mogelijk nog akeliger. Die waren natuurlijk al bij voorbaat aangepast aan de te verwachten kritiek. Uit vrees te worden aangemerkt als 'te vaag, te weinig uitgewerkt, te uitgebreid' en dergelijke, kozen de onderzoekers bij voorkeur veilige onderwerpen als 'de Vroedschap van Vlaardingen', 'de Verzuiling in Vlissingen' of 'de Vissersvrouwen van Vinkeveen'. En zij volgden alle hetzelfde patroon. Probleemstelling: “Het verschijnsel van de verzuiling is de laatste jaren aan een grondige revisie onderworpen. Verschillende studies (Jansen 1981, Pietersen 1982) hebben nieuw licht geworpen op de lokale aspecten van dit unieke en voor Nederland zo belangrijke en typerende verschijnsel. Ook de rol van de vrouw en de vrouwenbeweging is in een nieuw licht komen te staan. Verschillende studies (De Wit 1991, De Bruin 1992) hebben nieuw licht geworpen op dit vroeger zo verwaarloosde onderwerp. Wat echter nog onvoldoende belicht is, is de rol van de vrouwenbeweging in de verzuiling. Deze studie zal ...” Daarna kwamen de Fasering en de Planning, de Inbedding en de Aansluiting en nog veel meer. Ik ben het helemaal met Pleij eens dat hier nooit iets goeds van kan komen en dat Huizinga's Herfsttij, zoals hij schrijft, “geen schijn van kans zou hebben bij een subsidie-aanvraag. Zelfs niet na publikatie”.

Na deze zin neemt Pleij's betoog echter een verrassende wending, want hij vervolgt: “Daarom: leve de PIONIERS en de SPINOZA-laureaten!” Dit is wel een zeer kras voorbeeld van een non sequitur. Immers, als Huizinga's Herfsttij ook na publikatie geen erkenning had gevonden, dan had hij er ook geen PIONIER-subsidie voor gekregen. Die worden immers juist toegekend aan veelbelovende jonge onderzoekers, omdat zij bewezen hebben tot iets bijzonders in staat te zijn. Het pionierschap zou Huizinga dus waarschijnlijk zijn ontgaan. Het beeld van Huizinga als pionier is trouwens toch al moeilijk voor de geest te krijgen. “Mijnheer Huizinga, gefeliciteerd, u heeft de PIONIER-prijs gekregen?”

“Wat is dat? Iets communistisch zeker? Komt het van mevrouw Roland Holst?”

“Nee, u krijgt het omdat wij vinden dat Herfsttij zo'n mooi boek is en nu krijgt u een miljoen om assistenten aan te stellen en die moeten allemaal proberen net zulke mooie boeken over de Middeleeuwen te schrijven.”

Ik weet niet veel van Huizinga en ik weet dus ook niet hoe hij hierop zou hebben gereageerd, maar ik zou mij kunnen voorstellen dat hij gezegd zou hebben: “Mijnheer de voorzitter, van tweeën een. Of het is zo'n mooi boek dat bijna niemand anders het zou kunnen schrijven en dan heb ik die prijs verdiend, maar wat moet ik dan met al die assistenten? Of u denkt dat die dat ook kunnen, maar waarom vindt u het dan zo'n bijzonder boek?”

Huizinga is misschien een ongelukkig voorbeeld. Het laatste wat hij wilde, was leerlingen aantrekken of een school vormen. Hij las niet eens de scripties van zijn studenten, laat staan hun onderzoeksvoorstellen. Hij weigerde zelfs, als studenten dat vroegen, hun onderwerpen voor scripties of dissertaties te suggereren onder het motto dat hij toch ook hun vrouw niet ging uitzoeken. En het was natuurlijk een andere tijd, waarin er veel minder onderzoekers waren dan nu en alles veel individueler toeging. Maar de spanning tussen individualisme en schoolvorming, die toen bestond, bestaat ook nu nog, in ieder geval in de geesteswetenschappen. Goede onderzoekers inspireren anderen. Een zekere vorm van schoolvorming is dus onvermijdelijk en zelfs wenselijk. Maar alle belangrijke boeken over geschiedenis, literatuur, wijsbegeerte en dergelijke zijn het werk geweest van een of - bij hoge uitzondering - van twee mensen. Dat geldt voor Huizinga, maar ook voor vrijwel alle andere beroemde geleerden op deze gebieden. En zelden of nooit overtreffen de leerlingen de meester, althans als die meester een echte meester is en niet slechts een leermeester.

    • H.L. Wesseling