Dit is een artikel uit het NRC-archief

Milieu en natuur

Een bioloog in dienst van de V.O.C.; Georg Everhard Rumphius

In Ambon wordt de laatste hand gelegd aan een gedenkteken voor Rumphius, de grote onderzoeker van de Molukse natuur. De meeste Nederlanders kennen de namen van Herman Boerhaave (1668-1738), Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723), Simon Stevin (1548-1620) en Christiaan Huygens (1629-1695). Maar bijna niemand heeft gehoord van Rumphius, behalve een enkele bioloog of historicus. Toch behoort ook zijn naam in dit rijtje te staan.

Rumphius werd in 1627 of 1628 in Hanau, niet ver van Frankfurt am Main, geboren als Georg Everhard Rumf, zoon van een Duits bouwkundige en een naar alle waarschijnlijkheid Nederlandse moeder. Hij bleek een intelligente jongen, die door zijn opvoeding de kans kreeg zijn belangstelling te bevredigen. In Hanau leerde hij wiskunde en Latijn en stak wat op over architectuur, plantkunde en medicijnen.

In 1648 ging hij op Texel scheep naar de Nederlandse kolonie in Brazilië. Maar hij kwam nooit in Recife aan, want het schip de 'Swarte Raaf' liep bij Portugal averij op en werd opgebracht. Georg verbleef enkele jaren in Portugal en leerde daar een andere natuur kennen dan die aan de oevers van de Main. Hij leerde er Portugees, de lingua franca in Azië, Afrika en Amerika. Zijn studie van het Arabisch moet hij daar begonnen zijn.

In 1649 was hij weer in Hanau, waar hij waarschijnlijk medicijnen studeerde. In 1652 nam hij dienst bij de V.O.C. als Juriaan Rumph van Hanau en op tweede Kerstdag van dat jaar vertrok hij met het jacht 'Muijden' naar Batavia. Hij zou Europa nooit meer terugzien.

Eind 1653 kwam Rumphius in de Molukken aan. Onder het bewind van Arnold de Vlamingh van Outshoorn deed hij dienst als vaandrig. Het militaire leven beviel hem niet en hij vroeg om een dienstverband bij de V.O.C. Hij sprak inmiddels goed Maleis en maakte een woordenboek (tot de letter P) dat later door anderen werd afgemaakt.

In 1657 werd hij 'onderkoopman' in Larike, een dorpje op de westkust van het westelijk deel Hitoe van Amboîna. 350 jaar later is Larike nog een afgelegen gat dat over land nauwelijks bereikbaar is. Zelfs een geharde ontwikkelingswerker zou daar wegkwijnen. Niet zo Rumph van Hanau. Hij was daar in zijn element. Zijn werk liet hem de tijd om zich te verdiepen in de vegetatie, de fauna en het leven in zee. Op Ambon-stad was hij al begonnen aantekeningen te maken voor zijn 'Amboînse Kruijdboek', zijn Opus Magnum. Hij zou er veertig jaar aan werken.

Op Larike zag hij voor het eerst het verschijnsel dat de zee rood wordt, rood van miljarden kreeftjes (Foetus cancrorum). 'Men vaart er doorheen als door bloed', schrijft hij. Hij wist al van anderen van het bestaan van dit verschijnsel te Grissée, niet ver van Soerabaja. Altijd had men gedacht dat deze diertjes, ter grootte van een luis, door rivieren naar zee werden gevoerd. Hij stelt vast dat dat onjuist was, ze komen uit zee. Uit de dikke kreeftpasta die aanspoelt wordt door fermentatie een soort trassie gemaakt, zegt hij. Trassie is voor de Indonesische keuken onmisbaar.

Zijn V.O.C.-taken verrichtte hij tot volle tevredenheid, want in 1660 wordt hij bevorderd tot 'opperhooft' met standplaats Hila en al in 1662 wordt hij daar 'koopman'.

Op Hila, een strategisch gelegen plaats op de westkust van Hitoe, staat het door De Vlamingh van Outshoorn met wallen versterkte blokhuis 'Amsterdam'. Van dit blokhuis stonden tot voor kort nog alleen de vier muren overeind en daar middenin groeide een reusachtige waringinboom, die de muren uit elkaar drukte. Gelukkig is het fort in 1993 helemaal teruggebracht in de oude vorm, met een puntdak erop, zoals je dat op oude gravures ervan tegenkomt. Rumphius heeft hier de tien meest vruchtbare jaren van zijn leven doorgebracht. Zijn huis stond vlak bij het fort. Zijn waterput is nog steeds in gebruik.

Hij trok de bossen in, op zoek naar nieuwe soorten, bekeek die in de omgeving waarin zij voorkwamen en hij beschreef hun relatie met die omgeving. Daarmee was hij zijn tijd ver vooruit. Als hij de sagopalm beschrijft, geeft hij en passant een verbetering voor de al eeuwenoude manier waarop sagomeel gewonnen werd. Hij legde een unieke verzameling schelpen aan en is beteuterd als heremietkreeften 's nachts in zijn mooiste exemplaren kruipen en daarmee aan de haal gaan.

Het is Rumphius die na lang onderzoek vaststelt, dat eetbare vogelnestjes niet gemaakt zijn uit zeewier, zoals altijd was aangenomen, maar dat het een afscheidingsprodukt is van de vogel zelf.

Hoewel Rumphius in beginsel alleen opschreef wat hij zelf had waargenomen, noteert hij een enkele keer dingen die hij van anderen hoort. Zoals het feit dat tjitjaks (een muurhagedisje) een middel zouden zijn tegen lepra, omdat hun staartje weer aangroeit als het afgevallen is. Zijn Kruijdboek vorderde en hij begon aan een Dierboek dat jammer genoeg verloren is geraakt en waaruit alleen bekend werd wat tijdgenoten eruit citeerden.

Rumphius kreeg glaucoom (staar) en in 1670 is hij blind. Hij ging in Ambon-stad wonen, bleef op de V.O.C.-betaalrol als adviseur, maar kreeg alle vrijheid zijn werk voort te zetten.

In de stad kreeg Rumphius de beschikking over een hem door de V.O.C. geschonken lap grond, waarop hij een hortus botanicus aanlegde. Het is in deze tuin dat rond 1720, na zijn dood, een gedenkteken voor hem werd geplaatst. In het begin van de 19-de eeuw verdwijnt dat monumentje tijdens de Engelse bezetting van Ambon. In 1824 liet Gouverneur Generaal Van der Capellen op die plek een nieuw gedenkteken plaatsen. Volgens V.I. van de Wall heeft de Belgische schilder Payen daarvoor het ontwerp gemaakt. Dit monument heeft er in ieder geval tot 1942 gestaan en is tijdens of na de oorlog verdwenen.

Het gedenkteken dat nu wordt gebouwd staat een honderd meter van de oorspronkelijke plek, maar wèl in dezelfde straat, die nu de Jl. Pattimura is en die vroeger de Oliphantsstraat heette. Het initiatief tot de heroprichting van deze replica van het oude gedenkteken werd enkele jaren geleden genomen door Monseigneur A.P.C. Sol msc, (bisschop van de Molukken en van Nederlandse afkomst), de bioloog dr. C.J. Heij en door mijzelf. De werktekeningen werden gemaakt door ir. J.H. Sinke en het Greshoff-Rumphius-Fonds zorgde voor de financiering.

Het is bekend dat de V.O.C. geen filantropische organisatie was, maar uit de wijze waarop Rumphius en andere competente mensen behandeld werden, blijkt toch een ruimheid van denken. Hoewel Rumphius op afgelegen posten werkte, was hij minder geïsoleerd dan wij geneigd zijn te denken. In 1663 verzoekt hij de Hoogmogende Heren XVII om toestemming zich op eigen kosten boeken en materiaal te laten toesturen. De V.O.C. verbood in principe persoonlijke zendingen.

Hij kreeg krachtige steun van Joan van Maatsuijcker, de toenmalige Gouverneur Generaal. Rumphius kon zich boeken laten toesturen en zo verkreeg hij in deze afgelegen streken toch een goede bibliotheek en kon onder andere het werk van Da Orta, Acosta, Clusius en Van Rheede tot Drakesteijn (1637-1691, actief op Ceylon en in India) raadplegen.

De V.O.C. zorgde voor kundige tekenaars toen Rumphius blind werd. Schreef hij aanvankelijk in het latijn, nu moest hij het doen in het Nederlands, omdat zijn helpers het Latijn niet beheersten. Dit is een zegen gebleken, want daardoor zijn zijn teksten zo levendig gebleven dat het vandaag de dag nog een genoegen is zijn proza te lezen.

Met hulp van velen zette de blinde Rumphius zijn werk voort. Hij bouwde een netwerk op van correspondenten in Europa en op Java. Isaac de Saint-Martin op Java stuurde hem zeldzame planten. Hij correspondeerde met Van Maatsuijcker en ook met de oud-G.G. Johannes Camphuijs, een door de natuur gegrepen intellectueel.

Men moet zich erover verbazen, dat iemand die moederziel alleen aan de andere kant van de wereld zat, met zovelen in Europa contact had. Zijn reputatie is daar zo groot, dat hij in 1681 door de Nederlander Cleijer en de Duitser Menzel wordt voorgedragen als lid van de Keizerlijke Academia Naturae Curiosorum in Wenen. Het is na 1681 dat hij zich Rumphius noemde.

Het pad van de blinde Rumphius ging niet over rozen. In 1674 kwamen zijn vrouw en een dochtertje om bij 'Eene schrickelijke Aerdbeving'. In 1687 teistert een grote brand Ambon. Het Kruijdboek wordt gered maar vele tekeningen, gedroogde planten, schelpen en boeken gaan verloren. In 1695 verdwijnen bij een diefstal 61 onvervangbare tekeningen.

Het Amboïnse Kruijdboek ging in 1692 scheep naar Holland. Het schip de 'Waterlandt' verging ten noorden van Portugal, niet ver vanwaar in 1648 de 'Swarte Raaf' was gestrand. Gelukkig had Camphuijs het manuscript en alle tekeningen laten kopiëren. Dit geeft aan hoe Camphuijs over Rumphius' werk dacht. De kopie wordt opnieuw gekopieerd. Tenslotte komt het werk in Nederland aan. Pas in 1741 verschenen de eerste delen echter pas in druk.

Meer geluk had Rumphius met zijn 'Rariteitkamer'. Het manuscript hiervan stuurde hij ditmaal niet naar de Amsterdamse Kamer van de V.O.C. maar naar zijn vriend d'Aquet, burgemeester van Delft. Die bezorgde al in 1705 een eerste druk van dit zeer succesvolle boek. Behandeld worden kreeftachtigen, schelpdieren, delfstoffen, mineralen en kristallen. Het wordt in de 18-de eeuw vele malen herdrukt. Rumphius heeft het niet mogen meemaken zijn grote werken in druk te zien verschijnen. Slechts het verslag van de 'Aerdbeving' werd bij zijn leven gedrukt.

Op 15 juni 1702 overleed Rumphius. Hij liet een wetenschappelijk monument voor zich achter. Het zijn werken, die nu 300 jaar later nog telkens worden geraadpleegd. In 1991 ging een Nederlandse expeditie naar Amboîna om daar bio-historisch onderzoek te doen in het kielzog van Rumphius. Daarbij werd vastgesteld hoe nauwkeurig Rumphius te werk is gegaan en welk een groot ecoloog hij was in een tijd dat grotendeels dode dieren en gedroogde planten werden bestudeerd, zonder acht te slaan op de omgeving waarin zij thuishoorden.

Dat zijn boeken in het Nederlands werden geschreven is een belemmering voor hen, die onze taal niet spreken. In de Verenigde Staten is nu een vertaling in het Engels van de Rariteitkamer ('Curiosity Cabinet') wel haast klaar. In het bijzonder wordt erop gelet, de levendigheid van zijn teksten bij de vertaling te behouden.

Het zou mooi zijn als in 2002 - driehonderd jaar na de dood van Rumphius - ook zijn Kruijdboek ('Herbal') in het Engels wordt uitgegeven. Gebeurt dat niet dan moeten we wellicht wachten tot 2102.