De opsporing...

JUSTITIE EN POLITIE bevinden zich in een crisis, zegt de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa over de opsporingsmethoden. Het is een hard oordeel maar er is reden voor, zoals de afgelopen herfst al werd aangegeven door de openbare hoorzittingen. Het is onloochenbaar dat de problemen het IRT-moeras te buiten gaan, de mengeling van persoonlijke animositeit en avonturisme die heeft geleid tot de ontploffing van het speciale rechercheteam voor Noord-Holland en Utrecht, die op haar beurt een politieke en justitiële kettingreactie ontketende.

Zonder overdrijving concludeert de commissie nu dat de crisis in de opsporing diep gaat. Er is sprake van een drievoudige crisis. Het ontbreekt aan een behoorlijke normstelling voor speciale politiemethoden, de bij de opsporing betrokken organisaties werken langs elkaar heen of elkaar tegen, en alsof dat al niet erg genoeg is, komt daar een volwassen gezagscrisis bovenop.

De bestuurlijke lijdelijkheid, zoals de commissie het treffend noemt, is tijdens de hoorzittingen breed uitgemeten. Maar bij het totaalbeeld hoort ook de vaststelling dat de rechter te vaak een passieve rol heeft gespeeld bij de beoordeling van gebruikte methoden. De volksvertegenwoordiging, die dit onderzoek heeft ingesteld, mag ook de hand in eigen boezem steken. Hoewel daar alle reden voor was, is de Tweede Kamer steeds een principieel debat over methode en controle uit de weg gegaan. Wel stemde zij vlot toe in voortdurende uitbreiding en aanscherping van de strafwet.

Dat gebeurde onder invloed van een toenemende verontrusting over de georganiseerde criminaliteit. Was dat niet een beetje overdreven? Van Italiaanse toestanden is geen sprake, van corruptie aan de top van het apparaat is ook niets gebleken, maar er zijn zeker redenen voor zorg en verontrusting. Er gaat met name in de drugshandel veel geld om en er tikt een etnische tijdbom. HET PRINCIPIËLE DEBAT zal er naar aanleiding van het rapport-Van Traa in elk geval nu toch moeten komen. Opsporingsmethoden dienen in een rechtsstaat een expliciete wettelijke basis te hebben, luidt de centrale stelling van het rapport. Daar zullen weinigen het mee oneens kunnen zijn. De uitwerking laat echter de nodige ruimte voor meningsverschillen. Er is zo langzamerhand een heel scala van afzonderlijke methoden die in aanmerking komen voor regeling, variërend van observatie en peilzenders tot kroongetuigen en inbreken in computerbestanden. Voor de toelaatbaarheid maakt de ernst van het delict verschil uit en daarnaast ook de fase waarin het onderzoek zich bevindt. De commissie onderscheidt daarbij vijf stadia. Dat maakt nogal wat verschillende combinaties mogelijk, waar het laatste woord nog niet over is gezegd.

Het grote probleem is natuurlijk dat het eigenlijk niet mogelijk is een bepaald opsporingsmiddel categorisch uit te sluiten. Het dichtst komt de commissie daarbij in de buurt als het gaat om het doorlaten van drugs, de zogeheten Deltamethode die tijdens de verhoren terecht zoveel verontwaardiging heeft gewekt. Toch acht zij een enkele proefzending van een kleine hoeveelheid softdrugs toelaatbaar. Daarmee haalt de commissie toch weer de twijfel binnen: waarom ook niet een klein partijtje coke? Onverbiddelijk is de commissie wel in het afwijzen van de kroongetuige, maar de aan de vooravond van haar rapport geuite vrees dat zij het politiewerk zou dichttimmeren is niet bewaarheid.

Het is al met al een behoedzaam rapport met een aantal open einden, waaronder de directe consequenties op het personele en bestuurlijke vlak, destijds ook al een teer punt bij het IRT-rapport van de commissie-Wierenga. Van het luid door Amsterdam opgeëiste eerherstel is weliswaar geen sprake, maar de rivalen in Utrecht en Haarlem hebben ook allerminst reden tot juichen. Niemand gaat vrijuit. Maar de vraag blijft: waar nu te beginnen?