Zhang Yuan filmt het dagelijks leven met groot talent

ROTTERDAM, 31 JAN. “China kent nauwelijks een documentaire traditie, behalve in wat eigenlijk propagandafilms zijn. Er wordt bij ons zo veel gelogen in de kunst, dat het hoog tijd is voor meer realisme,” zei Zhang Yuan, de eerste en belangrijkste onafhankelijke filmmaker uit de Volksrepubliek gisteravond in een talkshow in het Rotterdamse Hiltonhotel. De op de zwarte lijst geplaatste Zhang heeft weinig meer te verliezen; officieel mag hij niet werken in de filmindustrie, zijn werk wordt in eigen land niet vertoond. Zhangs gisteren tijdens het International Filmfestival Rotterdam in wereldpremière vertoonde, mede met steun van het Hubert Bals Fonds in Nederland afgewerkte, lange speelfilm Sons (Erzi) is een uniek document over het dagelijks leven in China. Bepaalde aspecten van de menselijke aard, waarvan het bestaan in China officieel ontkend wordt, komen er zeer realistisch in aan de orde. De volledige familie Li, Zhangs onderburen in Peking, bestaande uit vader, moeder en twee volwassen zonen, spelen in Sons hun eigen verhaal na. De drankzucht van pa, een voormalig danser, leidt tot schreeuw- en vechtpartijen, het aanvragen van een scheiding, het inslaan van vaders hoofd door de oudste zoon en ten slotte opname in een inrichting. Volgens Zhang ging het initiatief uit van de broers, die de regisseur vroegen een film over hen te maken.

In Zhangs film wordt naar hartelust geschreeuwd en gevloekt, op tafel geslagen en gezellig door elkaar gepraat. Je krijgt soms bijna de indruk dat dit geen reflectie van het leven is, maar het leven zelf. Sons is verreweg zijn beste film tot nu toe: werden Mama en Beijing Bastards voornamelijk geprezen om hun waarheidsgehalte en moed, in Sons schemert voor het eerst ook filmisch talent door. Toch moeten onder Zhangs begrijpelijke drang de waarheid te spreken scherpte en raffinement van drama of vormgeving nog regelmatig ernstig lijden. Als om de juistheid van Zhangs visie op het rommelige karakter van zijn landgenoten te onderstrepen, kraaide in de premièrezaal een Chinese peuter vrolijk door de voorstelling heen, terwijl een rij verderop in het Mandarijns krachtig commentaar werd geleverd op het gebodene.

Het naspelen door amateurs van eigen belevenissen in een speelfilm is overigens geen nieuwe werkwijze; tijdens het Italiaanse neorealisme (1945-50) werd het op grote schaal beproefd. Tot grote hoogte reikt het procédé in de ook in Rotterdam vertoonde Amerikaanse film Last Summer in the Hamptons van Henry Jaglom, maar in dat geval zijn de min of meer autobiografische rollen dan ook vertolkt door beroepsacteurs. In een rustiek buitenhuis komen elke zomer de excentrieke leden van een toneelspelersfamilie samen om te eten, te drinken, te acteren, een workshop voor jonge buitenstaanders te begeleiden, te intrigeren, te begeren en te beminnen. In de film wordt het evenwicht verstoord door de komst van een tamelijk beroemde Hollywoodactrice, die gewend is altijd haar zin te krijgen. De matriarch van de familie wordt gespeeld door de vorig jaar niet lang na de opnamen overleden Zweeds-Amerikaanse Viveca Lindfors, die op video naar haar oude films met Ronald Reagan en Errol Flynn kijkt, het nageslacht voor een deel door haar zonen en kleinzonen uit het huwelijk met theaterregisseur George Tabori. Last Summer in the Hamptons is een feestelijk spel met fictie en werkelijkheid. Jaglom heeft al vaker dit soort quasi-documentaire observaties van babbelzieke Amerikaanse bohémiens geregisseerd (Can She Bake A Cherry Pie?, Someone to Love), maar zelden was hij zo scherp en psychologisch raak als nu. Dat zijn protagonisten toevallig ook acteurs zijn heeft daar ongetwijfeld toe bijgedragen.

    • Hans Beerekamp