'Tiet van lèv'n': het zeurt maar deur

Het is een bekend gevoel, het overkomt ons allemaal wel eens. Je leest een schrijver, je hoort een politicus, je ziet een voetballer, en je weet het opeens heel zeker: dit wordt nooit wat. Wat iedereen er verder ook nog over moge beweren: het is niks en het zal niks blijven. Je wordt overvallen door een hardnekkig soort onwil om er zelfs nog maar één seconde van je leven aan te besteden. Eindelijk vrij!

Mij overkwam het bij het kijken naar de dramaserie Tijd van leven van de KRO-televisie. Ik had jubelende voorbeschouwingen gelezen en paginagrote interviews met de makers en de spelers. Er werden vergelijkingen gemaakt met de befaamde Duitse serie Heimat van Edgar Reitz. Een meesterwerk was naar ons onderweg, zoveel was duidelijk, en je deed er verstandig aan bijtijds in te haken.

We zijn nu vijf afleveringen verder - een kleine vijf uur dus - en ik moet knarsetandend bekennen, dat ik er beter aan had gedaan al na de eerste aflevering de moed op te geven. Ik had het kunnen weten. Als je na één uur nog niet geboeid bent, lukt het daarna doorgaans ook niet meer. Keer zo'n schrijver de rug toe, sla de politicus over, kijk naar een andere wedstrijd, zap verder. Het is hard, maar we wisten toch dat het leven wreed is?

Dóórgaan met kijken maakt het alleen maar erger. Ik ben na vijf uur nu zó ver dat àlles aan die serie me ergert - tot en met de zeurderige muziek toe. Om de tien minuten kijk ik op mijn horloge: zou het nu nòg niet afgelopen zijn? Maar nee. Daar komt Henk weer aangedreuteld. “Ans, ik hou echt van ou”, zegt hij. “Dat weet ik toch jungske”, zegt Ans. Ik kan er niet eens meer om lachen.

Tijd van leven wordt geacht een tijdsbeeld te geven, een soort mentaliteitsgeschiedenis, van het Nederland na de tweede wereldoorlog. Maar alles wat ik zie, is een stel onhandig gefilmde boerse types die een eigengemaakt koeterwaals spreken, dat noch met het Achterhoeks noch met het Nederlands veel te maken heeft.

Omwille van de authenticiteit werd het dialect gebruikt, zei scenarioschrijver Albert ter Heerdt ergens. Maar omdat de KRO aanvankelijk geen ondertiteling wilde, moest het dialect worden afgezwakt. Daarna bedacht de KRO zich en ging wèl over tot ondertiteling. Daarom zitten we nu opgescheept met dat vreemde mengelmoesje, dat elke dramatische scène genadeloos om zeep helpt nog voor ze op gang is gekomen.

We zien een jongetje ontredderd op de trappen van een station zitten. We worden verondersteld een traantje weg te pinken, totdat hij vraagt: “Mama, zien de breudjes op?” Zou dat ècht Achterhoeks zijn, pieker je onwillekeurig, of is daar ook alweer een concessie gedaan aan het Algemeen Beschaafd? En wat moeten we denken van: “In Indië groeit alles geweun aan de beume?” Ik neem graag aan dat het Algemeen Beschaafd Achterhoeks is, maar ik vertrouw geen woord meer sinds ik de spelers erop heb betrapt dat ze Duitsers soms 'Duutsers' noemen en soms 'Duitsers'.

Tijd van leven ('Tiet van lèv'n') heette een serie te zijn waarin een einde werd gemaakt aan het clichébeeld dat stadse Nederlanders van het platteland hebben. Maar ik heb in al die uren alleen maar cliché-boerenknurften gezien, die zich in een cliché-boerentaaltje uitdrukken en elkaar loerende cliché-boerenblikken toewerpen.

Tijd van leven is één groot vooroordeel ten opzichte van het platteland. De dorpsbewoners zijn zonder uitzondering zwijgende zonderlingen, die àls ze al gevoelens hebben er nooit over zullen praten. Dat fokt en loeit en broeit maar, zonder zich verder ooit iets af te vragen.

En gee gleuft da? Nee, ik gleuf da nie. Ik geloof dat ook Achterhoekse mensen boeiender en veelzijdiger kunnen zijn dan de achterlijke huichelaars die in Tijd van leven worden opgevoerd.

Een joodse wees keert jaren na de oorlog terug naar Oud Greffel, en het enige wat die boerenlullen hem dan uiteraard te vragen hebben, is: “Kun je nog een bietje plat proate?” Niemand begint een gesprek met die jongen, want dat heeft de scenarioschrijver geleerd uit boeken over de naoorlogse tijd: joodse mensen werden genegeerd.

En gee gleuft da?

Nee, want het zijn clichés, en goede schrijvers vermijden clichés.

In Tijd van leven wordt zó weinig gezegd, dat je de scenarioschrijver er bijna van begint te verdenken dat hij zèlf weinig te zeggen heeft. De meest dramatische ontwikkelingen zien we na afloop in de teksten bij de aftiteling. Daarin wordt naar hartelust gescheiden, geëmigreerd, gepaard, gebaard, gemiskraamd en gestorven. Hoe dat allemaal in zijn werk is gegaan, mag joost weten - de makers vonden het geen interessant dramatisch materiaal. Ze zadelden ons liever op met een dramatisch vacuüm waarin minieme gebeurtenissen eindeloos traag worden uitgesmeerd. Er zijn veel scènewisselingen, maar het blijft bij een schijn van levendigheid: elke aflevering kruipt naar haar einde.

Personages komen, personages gaan, en niets wordt ons over hun motieven onthuld. Rietje kan niet met haar kind overweg. Maar waarom? Omdat het een zeuntje van een Amerikaanse soldaat is? Je zou verwachten dat haar man daar ongelukkiger onder is. En Henk wil niet trouwen, hij gaat erop zijn trouwdag vandoor. Waarom doet Henk dat? “Duistere krachten hebben me gedreven, met Ans had het niets te maken”, laat hij uit Canada weten. Hoezo Henk?

Aan de acteurs ligt het niet - die zijn ook in Nederland eindelijk op internationaal niveau gekomen. Geef ze tekst, en ze maken er wat van. Een speler wil een verhaal vertellen. Een kijker wil een verhaal zien. Tijd van leven geeft vooral witregels die pretentieus ogen, maar niets betekenen.

Acht miljoen heeft die serie nog gekost.

Dat zien heel wat breudjes.