Praatoverlast

Voor mijn raam komt bijna dagelijks een Amerikaans gesprek langs. Het zijn een man en een vrouw die verderop in de straat wonen. Zij dragen onmodieuze vrijetijdskleren en lopen achter elkaar op de smalle stoep. Maar altijd is een van beiden aan het woord, luid genoeg om iedereen te laten horen dat de voertaal Amerikaans Engels is. Dat is erg raar. Waarom? Ik geloof dat het is omdat Nederlandse echtparen niet praten. Liefdesparen wel, die lopen gearmd en spreken gedempt. Mensen die elkaar niet goed kennen praten ook met elkaar, en kinderen zeker. Maar een volwassen echtpaar dat kwekt alsof het elkaar wat te vertellen heeft is heel ongewoon, en ook wel vertederend.

Dit is een land van zwijgers. Het ligt voor de hand om hier de vader des vaderlands te noemen, die voor zijn zwijgzaamheid zelfs werd onderscheiden met een hoofdletter Z. Helemaal toevallig kan zoiets toch niet zijn. Een ander, niet onbekend bewijs van onze eigenaardigheid is te vinden in de bus. Reis een paar honderd kilometer naar het zuiden en stap daar in de bus: levendige conversatie vult de ruimte. Neem in Nederland de bus, en de stilte is die van een rijdend graf, of er nu twee passagiers zijn of vijftig.

Dat klinkt naargeestig, maar eigenlijk is het een weldaad. Zwijgen kan niet alleen niet verbeterd worden, zoals Elsschot moet hebben opgemerkt, je kunt er bovendien bij denken, lezen en kijken. Dat is geen gering voordeel.

Je mond houden is een onderschatte kunst. De vrees voor de leegte is groot; wie niet op zijn gemak is kletst maar door, en aan de toon waarop een ouder in de winkel zijn kind toespreekt is te horen dat dit geluid bestemd is voor de oren van iedereen die op zijn beurt staat te wachten. Vraag het de politicus, zet de tv aan, lees de kranten en zie hoe griezelig iedereen stilte vindt. Zwijgen is de vuurproef van liefde en vriendschap, het wapen van de onderdrukte, de grootsheid van de goede baas.

Praatoverlast daarentegen is de ergste overlast. Staan voor mijn eerder genoemde raam twee mensen toevallig stil en beginnen een gesprek, dan vind ik dat helemaal niet vertederend, want aan mijn schrijftafel is alle kans op zinvolle arbeid verkeken. Twee jongens die in de openbare leeszaal het weekeinde doornemen beletten mij om het eenvoudigste tijdschriftartikel te volgen.

Sinds kort is er een nieuwe mogelijkheid om te worden gestoord door gepraat. Je kiest, met een tas vol leesstof, een rustige eerste-klascoupé in de trein en installeert je met een boek. Ineens grijpt de man tegenover je in zijn zak, en voor je het weet zit hij met zijn vriendin te smoezen. Ik kom er zo aan, zegt hij, ga maar vast koken, nee, dat andere gaat waarschijnlijk niet door.

Is het erger als iemand zit te telefoneren dan als twee medepassagiers samen praten? In principe niet, maar hier zat er maar één, en de tegenvaller komt extra hard aan. Ook geeft de helft van een telefoongesprek meer onrust dan een voortkabbelend gesprek. Maar het belangrijkste is: het generaal-totaal van kansen op praatoverlast is weer toegenomen op een plaats die tot dusver tamelijk veilig was.

Aan de reclame voor zaktelefoons voor gewone mensen (dus geen onderhoudsmonteurs of managers) zie je hoe moeilijk het is om dingen te verzinnen die van belang zijn om door zo'n ding te zeggen. We zijn zwanger! krijgt een trainingspak aan zee te horen. Of een druipend zwembroekje mag pappa vertellen dat hij zijn diploma gehaald heeft. Dat is grof emotioneel geschut om een volk van zwijgers mobiel aan het zwetsen te krijgen.

In werkelijkheid klinkt door de ether van de draagbare telefoons natuurlijk het gestamel van hen die er zo meteen aankomen, van kun je me horen en waar ben je nu; het niemendal dat de stilte moet vullen omdat opeens duidelijk is hoe léég die is. Het mobiele telefoonnet, zo melden persberichten, is hard op weg naar de vier miljoen gebruikers.

Dus wie weet, kunnen we al vóór het jaar 2000 overal in Nederland in de bus stappen en daar, inplaats van aangename stilte, druk stemmengedruis horen. Niet dat de reizigers met elkaar praten, nee: ze bellen allemaal om te zeggen dat ze er zo aan komen.

    • Ileen Montijn