Oppositie voeren is niets voor Nederlanders

De christen-democraten hebben het in de oppisitie tegen het kabinet-Kok niet gemakkelijk. Het probleem voor het CDA zit volgens Mark Kranenburg veel dieper dan alleen maar het ontbreken van de juiste voorman of het onhandig manoeuvreren in debatten in de Kamer.

Dat de CDA-fractie in de Tweede Kamer grote problemen heeft met oppositie voeren is zo langzamerhand genoegzaam bekend. Tegenwoordig is bij veel debatten in de Tweede Kamer niet zo zeer de vraag hoe het kabinet het er vanaf brengt, maar of het CDA zich staande weet te houden.

Het Tweede-Kamerlid Mateman is het jongste slachtoffer van de strategie (of wat daar voor moet doorgaan) van de partij. Zijn zwaar aangezette pleidooi, vorige week, voor hulp aan het noodlijdende Fokker waarbij hij zelfs het 'Oranje-gevoel' niet vergat, leidde er wederom toe dat al snel het optreden van het CDA centraal stond inplaats van het gevoerde kabinetsbeleid.

De week daarvoor had Matemans collega Van der Heijden hetzelfde bereikt bij een poging minister Sorgdrager (justitie) te attaqueren over haar optreden rond het gedwongen vertrek van de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck. Op de lijst van CDA-bloopers mag ook het optreden van de nieuwe vice-fractievoorzitter De Hoop Scheffer niet ontbreken, die minister Van Mierlo fel kritiseerde vanwege diens voorgenomen bezoek aan het Palestijse hoofdkwartier in Oost-Jeruzalem. Maar de kritiek van De Hoop Schepper kwam in een geheel ander daglicht te staan toen het lijstje van CDA-politici werd opgevoerd dat in het verleden een bezoek aan Orient House had gebracht.

Wat al deze mislukkingen allereerst leren is dat het falen van het CDA blijkbaar niet alleen aan de persoon Heerma ligt. De verbreding van de politieke top waartoe de CDA-fractie eind vorig jaar besloot, heeft er slechts toe geleid dat ook het oppositie-probeem is verbreed. Tot voor kort was alleen Heerma de risee, nu zijn ook gewaardeerde fractiegenoten van hem dat. Het CDA als geheel heeft een probleem met oppositievoeren; en die handicap wordt nog versterkt door het ontbreken van een aansprekende leider.

Ook buiten de partij begint men zich het lot van het CDA aan te trekken. Minister-president Kok was er al vroeg bij. Vorig jaar, op de avond van Prinsjesdag, uitte hij zijn zorgen over het ontbreken van een daadkrachtige oppositie. Wanneer dat tegengeluid er onvoldoende was, zou dat maar leiden tot zelfgenoegzaamheid bij de coalitie, meende hij. In feite was deze constatering van de premier op zichzelf al een eerste uiting van die zelfgenoegzaamheid, want waarom zou hij zich bemoeien met de stijl van oppositie voeren? Ook het premierschap van alle Nederlanders kent zijn grenzen.

Afgelopen zaterdag kwam in deze krant een aantal andere niet-CDA'ers aan het woord over het opereren van de partij. Hun analyse varieerde van het niet gewend zijn aan de oppositie-cultuur (het voormalig PvdA-Kamerlid Marcel van Dam) tot verdeeldheid over de ideologische lijn (de Groningse Commissaris van de Koningin en VVD'er Henk Vonhoff). In alle waarnemingen zit wel iets waars. Maar toch blijft het opmerkelijke bij alle wijsheden die er nu over het CDA worden gedebiteerd, dat nooit de vraag wordt gesteld òf er wel oppositie tegen het huidige kabinet kan worden gevoerd. Sterker nog: of Nederland eigenlijk ooit wel succesvolle oppositie heeft gekend?

De werkelijkheid is dat sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 de oppositie er welgeteld één keer in is geslaagd een kabinet naar huis te sturen. Dat was in 1925 toen de SGP'er Kersten zijn amendement om het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan op te heffen zag aangenomen. Als ze niet gewoon de wettelijke periode uitzitten, vallen kabinetten meestal als gevolg van interne conflicten. De oppositie kan hooguit reeds smeulende 'vuurtjes' aanwakkeren maar zelfs voor dit onderdeel van het parlementaire handwerk geldt dat de lijst met triomfen beperkt is.

Het is veel meer zó, dat een kabinet zelf aanleiding moet geven tot oppositie die op enigerlei wijze aanslaat. Maar naarmate het midden regeert onder relatief gunstige economische omstandigheden en de hele maatschappij zich bovendien naar het midden richt (links en rechts is uit), blijft het voeren van oppositie per definitie een haast onmogelijke opgave.

Het voornaamste probleem van het CDA blijft natuurlijk dat het kabinet van PvdA, VVD en D66 bestuurt op basis van een regeerakkoord waarvoor het CDA in 1994 zonder meer had kunnen tekenen. De optelsom van de verlangens van beide antipoden in de coalitie, PvdA en VVD, gedeeld door twee is nu eenmaal een beleid dat heel dicht in de buurt van het CDA komt. Alleen de 'C'-factor kan onder druk komen te staan als het CDA niet meeregeert. Maar omdat het CDA altijd gekozen heeft voor het zijn van een brede volkspartij is die C in het verleden juist niet al te veel in het openbaar benadrukt. De in internationaal opzicht liberale abortus- en euthanasie-wetgeving is tot stand gekomen onder kabinetten waarin het CDA de meerderheid bezat.

Omdat het op inhoudelijke gronden weinig tegen het kabinet heeft in te brengen zou het CDA daarom geen oppositie moeten voeren tégen, maar juist vóór het kabinetsbeleid, zo wordt wel gesteld. Daarmee zou de partij treden in de voetsporen van D66 dat deze wijze van oppsitie bedrijven tijdens de vorige kabinetsperiode beloond zag met twaalf zetels winst.

Toch wordt bij deze veel gehoorde oplossing een niet onbelangrijk facet vergeten. Van Mierlo kon van 1989 tot 1994 in de oppositie gloriëren, omdat beide coalitiepartners PvdA en CDA elkaar voortdurend in de weg zaten en daardoor niet tot beleid kwamen. Wat toen regeerde was wederzijdse achterdocht met totale inertie als gevolg. De typering 'het kabinet dat van niets en niemand is' was even treffend als dodelijk. Maar of de oppositie nu een hand heeft gehad in het niet-functioneren van het derde kabinet-Lubbers? Niet voor niets werd toen gesteld dat Van Mierlo slapend rijk werd.

Hoe anders is het tot nu toe 'paars' vergaan. Mede dankzij de economische omstandigheden wordt er op een tamelijk ontspannen wijze geregeerd. Het kabinet treedt ook als een coherente ploeg op. Kortom, oppositie voeren voor het beleid dat gevoerd zou moeten worden, is op dit moment onhaalbaar. Dat beleid wordt gevoerd. Oppositie voeren tegen kan echter ook niet omdat het CDA dan telkens met het eigen verleden en het eigen verkiezingsprogramma in de knoop raakt. Los daarvan leert de recente parlementaire geschiedenis dat ook in dat geval succes niet bij voorbaat verzekerd is.

Want was de oppositie van de toen nieuwe PvdA-leider Kok tegen het tweede (CDA-VVD)-kabinet Lubbers nu zo inspirerend? Trouw maakte de PvdA-fractie jaarlijks haar tegenbegrotingen. Werkstukken die doorgaans binnen een half uur door de coalitie terzijde werden geschoven. Electoraal heeft die oppositie-periode de PvdA ook niets opgeleverd. Integendeel, bij de verkiezingen van 1989 verloor de partij drie zetels.

De enige oppositie waar nog met enige weemoed op wordt teruggekeken is die van toenmalig VVD-leider Wiegel in de jaren zeventig tegen het kabinet-Den Uyl geweest. Wiegel kon oppositie voeren bij de gratie van Den Uyl en de toen heersende polarisatie-gedachte. Tegen de thans door Kok volop beleden redelijkheid van het midden is het echter moeilijk beuken. Oppositioneel resultaat valt alleen te bereiken als er voldoende onvrede valt te mobiliseren. Maar als die onvrede nu juist ontbreekt, wordt het een stuk moeilijker.

Het probleem voor het CDA zit al met al veel dieper dan alleen maar het ontbreken van de juiste man of het onhandig gemanoeuvreer in de debatten. Wil het CDA een aansprekend alternatief voor de huidige coalitie vormen dan zal de partij zich moeten verwijderen van het door iedereen gekoesterde centrum. Zonder zichzelf te verloochenen kan dat alleen maar door het 'waarden en normen verhaal' meer te accentueren. Een pleidooi voor gezinspolitiek is daarvan een uiting, maar - Vonhoff wees daar terecht op - het CDA durft ook hier niet echt te kiezen. Om alle stromimgen in de partij te vriend te houden verstaat het CDA onder gezin alle mogelijke samenlevingsverbanden. Op dat moment steken andere partijen ook weer hun vinger op.

Dit keuzemijdend gedrag is symptomatisch voor het CDA. Elke poging tot profilering stuit direct op het andere streven om de partij zo breed mogelijk te houden. De vorig jaar gepubliceerde discussienota Nieuwe wegen, vaste waarden kampt eveneens met die tweeslachtigheid. De commentaren liepen uiteen van een “sociaal stuk” tot een “snoeihard rechts verhaal”. Het is dus weer een programma waar een ieder het zijne in kan lezen.

Maar dat is dan ook altijd de kracht van het CDA geweest. Het CDA heeft altijd vleugels gekend. De partij was een huis voor zowel christelijke werkgevers- als christelijke werknemersorganisaties. Als regeringspartij was het alomvattende karakter een prae. Als oppositiepartij heeft het CDA er echter alleen maar last van, want het gaat ten koste van de duidelijkheid.

Zo zit het CDA in een bijna onmogelijke klempositie. Er zit niet veel anders op dan wachten totdat het kabinet fouten gaat maken of dat het in de coalitie echt gaat schuren. Ooit zal dat gebeuren. Net zoals de geschiedenis leert dat de oppositie nooit kabinetten naar huis heeft gestuurd, leert het verleden dat coalitiepartners op een gegeven moment op elkaar uitgekeken raken. Op dat moment is het CDA weer aan de beurt. Voor het CDA is alleen te hopen dat de kiezers de partij ook die tijd zullen gunnen.