Onderwijsraad wil af van rol religie bij schoolstichting

DEN HAAG, 31 JAN. Bij de stichting van nieuwe bijzondere scholen moet de overheid niet langer rekening houden met de religieuze grondslag van de stichters. Alleen het aantal leerlingen dat een nieuwe school kan trekken en de kwaliteit van het onderwijs moeten criteria zijn.

Dit adviseert de Onderwijsraad vandaag staatssecretaris Netelenbos (onderwijs). Een nieuwe basisschool moet minimaal kunnen rekenen op tweehonderd leerlingen, in de grote steden zelfs op ruim driehonderd. Ook moeten de ouders zich daarbij baseren op een godsdienst of levensbeschouwing. Er zijn nu ongeveer 20 erkende 'richtingen': van protestants-christelijke en katholieke tot evangelisch, antroposofisch, reformatorisch, islamitisch, joods-orthodox, joods-liberaal en islamitisch.

Netelenbos had om een advies over deze kwestie gevraagd omdat zij van de 'grondslag' als criterium voor scholenstichting af wil, om stichting van scholen te vergemakkelijken. Zij krijgt nu van de Raad, die geldt als belangrijkste 'waakhond' van de vrijheid van onderwijs, gelijk. Netelenbos zal voor de zomer met een officiële reactie komen. Het advies betekent niet dat de godsdienstige grondslag uit het onderwijs kan verdwijnen. De identiteit van een school kan worden vastgelegd in statuten of in het schoolwerkplan, dit ter vrije keuze van het schoolbestuur.

Volgens de raad is afschaffing van het wettelijke begrip 'richting' als criterium voor scholenstichting niet in strijd met het grondwetsartikel 23, dat de vrijheid van onderwijs garandeert. De raad vindt dat door afschaffing de vrijheid van onderwijs wordt vergroot. De overheid dient zich “ten principale te onthouden van het uitleggen van normen en waarden die een godsdienst of levensovertuiging betreffen”, aldus de Onderwijsraad.

Door de secularisatie en verbrokkeling van de christelijke zuilen èn door komst van nieuwe religies als de islam en het hindoeïsme is de oude helderheid van de verdeling tussen katholieke en protestante scholen in de afgelopen decennia verdwenen. Ook is het tot nu toe onmogelijk om een nieuwe school te stichten op zuiver pedagogische grondslagen, zoals montessori- of jenaplanscholen. Als deze scholen niet-openbaar zijn, moet ze naast pedagogische uitgangspunten altijd óók een 'levensbeschouwelijke' grondslag hebben. De grondwet en de Lager-onderwijswet van 1920 kennen het richtingscriterium nog niet. Dat is ontstaan in de jurisprudentie en pas sinds 1933 vastgelegd. De Onderwijsraad adviseert nu het kabinet terug te gaan naar de oorspronkelijke uitgangspunten.

De Onderwijsraad is tegen een recht voor ouders om de grondslag van een bestaande school van 'richting' te laten veranderen, bijvoorbeeld van protestant naar katholiek. Netelenbos wil dat ouders meer invloed op de aard van de grondslag krijgen. Maar tot zo'n verandering (in het onderwijsjargon: 'kleurverschieten' van een school) kan alleen het schoolbestuur besluiten, vindt de raad, met een beroep op artikel 23 èn op het grondwettelijk recht van vrijheid van vereniging. De overheid mag zich niet mengen in de wijze van besluitvorming van een scholenstichting of vereniging, aldus de Onderwijsraad. Hij wil wel dat schoolbesturen verplicht worden om iedere vier jaar de ouders te raadplegen over de grondslag van de school.

Twee jaar geleden verkreeg een groep Haagse hindoes van liberale 'karmavadische' signatuur pas na veel moeite toestemming om een eigen basisschool te stichten - mits voldoende leerlingen konden worden geworven. De vakgroep systematische theologie en godsdienstwetenschap van de Vrije Universiteit Amsterdam moest er aan te pas komen om vast te stellen dat er sprake was van een 'aparte richting'. Deze kwestie was voor het toenmalige kabinet, mede op verzoek van de Kamer, aanleiding om de hanteerbaarheid van het 'richting'-begrip nader te onderzoeken.