Groeibeleid Wijers smoort in abstracte frases

De crisis bij Fokker is voor de direct betrokkenen uiterst pijnlijk, maar is voor beleidseconomen geenszins als een verrassing gekomen. Een jaar of tien geleden is al vastgesteld dat de perspectieven voor Fokker alleen bij bijzonder gunstige externe omstandigheden goed waren. Met name was een dollarkoers van meer dan twee gulden nodig om voldoende winst te kunnen behalen.

Toen Fokker in 1987 bij de staat om steun vroeg, was het al twijfelachtig of het economisch verantwoord was om aan deze vraag tegemoet te komen. Toen Fokker in 1993 opnieuw bij Economische Zaken aanbelde, was er geen goede grond meer om wederom omvangrijke overheidssteun te geven. Dat de steun toen toch langs een zeer kostbare sluiproute via de fiscus is verleend, heb ik al eerderd bekritiseerd, mede omdat het technologiebeleid daardoor in diskrediet werd gebracht. Onder het mom van nieuwe technologie werden in feite verliezen gefinancierd, zoals eerder bij RSV en andere hulpbehoevende bedrijven was gebeurd.

Toen in het afgelopen jaar de verliezen bij Fokker torenhoog opliepen, was het voor de ministeries van Economische Zaken en van Financiën duidelijk, dat een grote nieuwe steunoperatie onverantwoord zou zijn. Daimler-Benz kon voor zichzelf geen andere conclusie trekken. De recente besluiten van Daimler-Benz en van de Nederlandse Staat waren onvermijdelijk.

Het meest opmerkelijke is niet dat Fokker is 'omgevallen'. Markant is vooral, dat Fokker zijn bestaan zolang heeft weten voort te zetten bij een lage dollarkoers en dat een niet gering deel van de Fokker-activiteiten onder nieuwe vlag kan blijven doorvaren.

Gelukkig is de Fokker-crisis voor het parlement geen aanleiding geweest om een nieuwe vorm van industriepolitiek van de minister van Economische Zaken te eisen. Het industriebeleid is een onderdeel van het bredere beleidsterrein, dat te maken heeft met het bevorderen van de economische groei. In sommige historische perioden is het onderdeel (industrie) als betiteling voor het geheel van de economische groei gaan gelden (pars pro toto). Dat was bijvoorbeeld na de Tweede Wereldoorlog het geval, het groeibeleid heette toen om voor de hand liggende redenen 'industrialisatiepolitiek'. In het midden van de jaren zestig is Den Uyl als minister van Economische Zaken op de meer algemene en meer toepasselijke benaming 'groeibeleid' overgegaan, omdat de (weder)opbouw van de industriële installaties toen al lang en breed voltooid was.

Tijdens de economische neergang in de tweede helft van de jaren zeventig is de 'industriepolitiek' weer op de voorpagina's van de kranten gekomen, omdat de crisisverschijnselen bij een groot aantal grote bedrijven sterk de aandacht trokken. De RSV-enquête heeft aan die industriepolitieke 'hausse' terecht een einde gemaakt. Een aantal belanghebbenden heeft toen getracht een spectaculaire en geldverslindende industriepolitiek overeind te houden onder het motto van vernieuwing, speerpunten, en dergelijke. De Staat zou met andere woorden zijn miljarden niet moeten geven aan zwakke bedrijven maar aan vernieuwende, strategische bedrijven.

Terecht hebben de verantwoordelijke ministers, onder wie Ruding (financiën), die boot afgehouden. Wel is vooral door toedoen van minister De Korte (Economische Zaken) ruimte geschapen voor financiële faciliteiten ter ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling door bedrijven. Die technologie-faciliteiten hebben zoveel mogelijk een algemeen karakter gekregen, zodat ieder in aanmerking komend bedrijf daarvan - overigens in bescheiden mate - kan profiteren.

Dezer dagen wordt wel gezegd dat industriebeleid in feite is herdoopt in technologiebeleid. Terminologisch is dat natuurlijk niet juist, mede omdat een deel van de technologische ontwikkeling zich niet in de industrie, maar in sectoren zoals diensten en landbouw afspeelt.

Thans is het industriebeleid even goed, of beter gezegd even zwak als het bredere economische-groeibeleid, waarvan het deel uitmaakt. Andere onderdelen van het groeibeleid richten zich op het beroepsonderwijs, de infrastructuur, de technologie en de bedrijfsinvesteringen.

Minister Wijers heeft eind vorig jaar terecht betoogd dat de groei van de vaderlandse produktiecapaciteit (of met andere woorden de economische groei) niet veel meer dan twee procent per jaar bedraagt, terwijl een groei van 3 procent dringend noodzakelijk is om grote problemen, zoals de werkloosheid, te kunnen oplossen. Hij heeft ook volkomen terecht gepleit voor een drastische verhoging van de bedrijfsinvesteringen en de inspanningen voor technologische vernieuwing.

De vraag, hoe die doelen door het kabinet metterdaad naderbij worden gebracht, laat Wijers echter keer op keer goeddeels onbeantwoord. Hij komt niet verder dan wat abstracte frases, danwel een opsomming van kleine concrete maatregelen, die niet in een reële verhouding staan tot het ambitieuze karakter van zijn terechte doelstellingen op het gebied van economische groei, bedrijfsinvesteringen en innovatie.

Wijers heeft de moeilijkheden met Fokker goed behandeld. Hij heeft daardoor aan gezag gewonnen. Zijn versterkte positie moet hij nu aanwenden om zijn pleidooi voor een beter groeibeleid in daden om te zetten. Hij kan niet volstaan met lezingen en artikelen. Ook een televisiedebat, zoals zijn voorganger Andriessen aan het eind van diens ambtsperiode organiseerde, zet geen zoden aan de dijk.

Wijers heeft helaas weinig financiële middelen ten behoeve van de economische groei weten los te krijgen uit het bedrag van 8 à 9 miljard gulden dat het kabinet voor lastenverlichting beschikbaar had. Die pot is nu goeddeels leeg.

Mogelijk is het te laat om in deze kabinetsperiode in financiële zin nog grote daden ten gunste van de economische groei te stellen. Maar Wijers zou wel veel meer concrete aanzetten voor nieuw beleid kunnen geven en een nieuw groeibeleid, niet abstract en theoretisch, maar concreet en uitgewerkt op gang moeten brengen.

    • Oud-Secretaris-Generaal van Economische Zaken
    • F. Rutten