Frans-Duitse aanpak

EEN GEMEENSCHAPPELIJKE aanpak van de tweelingproblemen van werkloosheid en lage groei was in het vooruitzicht gesteld. Maar het enige gemeenschappelijke aan de Duitse en Franse plannen voor stimulering van de economie is dat ze gisteren gelijktijdig werden aangekondigd. Frankrijk kiest voor maatregelen op de korte termijn om het consumentenvertrouwen te vergroten en de bestedingen te bevorderen met goedkoper krediet. Duitsland doet een poging om de economie structureel te versterken en de arbeidskosten te verlagen.

De bedoeling van de stimuleringsmaatregelen is dezelfde: snelle terugdringing van de werkloosheid. In Duitsland wordt deze week de vier miljoenste werkloze officieel geregistreerd, in Frankrijk is de werkloosheid weer boven de drie miljoen mensen gekomen. Lage groei maakt de vooruitzichten op de arbeidsmarkt niet gunstig, terwijl de overheidsfinanciën door tegenvallende belastingopbrengsten en hogere sociale uitgaven zich verder van de ijklijn van 'Maastricht' verwijderen.

De beoogde Economische en Monetaire Unie (EMU) in 1999, waaraan de Franse en Duitse regeringen nog steeds met kracht vasthouden, vormt het perspectief waarin het economische beleid moet worden geplaatst. Hogere groei vergemakkelijkt de haalbaarheid van de norm voor de overheidsfinanciën, waaraan noch Duitsland noch Frankrijk op dit moment voldoet. Maar 'Maastricht' staat ouderwetse stimulering van de economie door de overheidsuitgaven op te rekken, niet toe. Een stimulans kan komen uit de versoepeling van het monetaire beleid, maar daarbij is Frankrijk afhankelijk van Duitsland. De Banque de France heeft haar lot in handen van de Bundesbank gelegd (overigens is dit één van de sterke Franse motiveringen om de Bundesbank te laten opgaan in een Europese centrale bank). De stapsgewijze renteverlagingen die de Bundesbank doorvoert, zijn dan ook van enorm belang.

MAAR ER IS meer. Duitsland en Frankrijk hebben niet alleen te kampen met begrotingsbeperkingen en de gevolgen van een harde munt. Structureel staan deze landen voor hetzelfde probleem waaraan Nederland al jaren, en met steeds meer succes, sleutelt: de kosten van de welvaartsstaat en de starheid van de arbeidsmarkt. Duitsland exporteert werkgelegenheid omdat vorig jaar IG Metall, de machtige Duitse industriebond, een peperdure CAO afsloot. Het heeft iets schijnheiligs dat de voorzitter van IG Metall, Klaus Zwickel, nu de grote voorvechter is van een sociaal pact waarbij loonmatiging en banenschepping worden uitgeruild. Duitsland heeft eindelijk ontdekt dat dure CAO's banen kosten.

Hervorming van de sociale zekerheid roept protesten op. Frankrijk heeft daarvan eind vorig jaar al een stevige voorproef gehad en het staat binnenkort meer te wachten; gisteren reageerden de Duitse bonden afwijzend op de aangekondigde plannen om de kosten van de sociale zekerheid te beteugelen. Maar lastenverlichting, dringend noodzakelijk om de (bruto) arbeidskosten te verlagen, banen te scheppen of verder banenverlies te voorkomen, is slechts mogelijk als in de sociale arrangementen die via de CAO's in Duitsland (net als in Nederland) aan hele bedrijfstakken worden opgelegd, wordt gesnoeid. Wil Duitsland zijn doelstelling, halvering van het aantal werklozen voor de eeuwwisseling, halen, dan moeten de georganiseerde werknemers verworven rechten inleveren. De aanpak waarvoor de Duitse regering met haar 50-puntenplan koos, wijst in deze richting.

In Frankrijk is dat niet anders, maar daar gaan de voorgestelde maatregelen minder ver. Met gerichte faciliteiten hoopt de Franse regering de haperende bestedingen te bevorderen. Frankrijk, dat tegen een aanzienlijk groter begrotingstekort aankijkt dan Duitsland, kan zich nog geen belastingverlaging veroorloven.

DE STIMULERING van de twee belangrijkste economieën op het Europese continent heeft alles te maken met de beoogde EMU. Als de werkloosheid op haar huidige niveau blijft, de economische perceptie blijft versomberen en de overheidsfinanciën niet drastisch verbeteren, zal de politieke steun om ondanks alles te voldoen aan de criteria voor deelname aan een gemeenschappelijke munt in snel tempo afbrokkelen. De wortels van het probleem zijn evenwel niet de EMU-normen, maar de onbetaalbaarheid van de sociale arrangementen. Het valt te vrezen dat politici, onder druk van ontevreden kiezers, niet bereid zullen zijn de uitwassen van de naoorlogse welvaartsstaat voldoende te corrigeren en zo de EMU mogelijk te maken. Willen Frankrijk en Duitsland hun politieke ambities voor een monetaire unie redden, dan moet de groei snel aantrekken. Dit is het laatste schot.