Windgaten in de Wijde Wijmerts

WANNEPERVEEN. De rietpluimen buigen diep. Dunne slierten sneeuw en ijsstof stuiven door de sloot, zoals zand op een winderig strand. Het ijs is hard, het blikkert in de zon. Duizenden ijzers hebben er fijne krasjes in gekerfd. Een bocht, en daar ligt een zwarte grammofoonplaat: de Bovenwijde. De schaatsers, net zwoegden ze nog schouder aan schouder, kiezen de ruimte. Voor de wind gaan we nu. Het gebulder in de oren valt weg, alles wat je nu hoort is een klikkend geluid, van ijzers die vanzelf over de hobbeltjes op het donkere meer gaan. We rechten de rug en we vegen het voorhoofd af. We zweten een beetje. Van inspanning. En van angst.

Paviljoen Smit. Honderd schaatsers staan te praten, ze drinken warme chocola, ze zitten op de steigers. IJsclub Belterwiede heeft een plankier over een zwak stuk gelegd. We zwikken er overheen, we zetten een onzekere stap op het ijs. Daar ligt een laagje water op. Zorgen dat de schoenen en de schaatshoezen niet nat worden. Worden op den duur ijsklompen, klonten die je er met een steen moet afbikken, veters die je van de schoen moet breken. De kaart op de houten kraam leggen, de doffe klap van het stempel en voort gaat het weer. Alsof de duivel ons op de hielen zit. Wij hebben geen tijd voor chocola of erwtensoep, wij hebben Elfstedenkoorts.

Het meer is bijna gerond, weer een sloot met rietpluimen en de wind blaast recht in het gezicht. Het is plotseling leeg op het ijs. Zo leeg was het soms ook op de Blikvaart. Het begon dan al te schemeren en het was nog vijftig kilometer. Plotseling leek het of je alleen was, of iedereen die voor je was allang in Leeuwarden was gearriveerd, en alsof iedereen die na je kwam zo wijs was geweest om in Wier af te stappen, ongeveer op het moment dat daar de straatlantaarns gingen branden. De tocht was plotseling ernst geworden. Het werd donker, zoals je dat alleen maar kende vanuit de bus, of de trein. Wanneer je aan de warme kant van het glas zat, het donkere platteland in staarde en huiverde bij het idee dat daar misschien nog een boer door het land fietste, of een kind dat verdwaald was. Het werd koud, op een onveilige manier. De enige die je warm kon houden dat was je zelf, maar het werd steeds kouder en de Bonkevaart was nog drie uur weg.

Het is nu tien jaar later, we schaatsen tussen Wanneperveen en Giethoorn, en hier schijnt nog de middagzon, trekken jongens hun meisjes tegen de wind in en krabbelen twee kinderen onbekommerd langs de eendenkooien. In hun hoofden geen beelden van de Dokkumer Ee. Dat was al na Bartlehiem. Je had je er overheen gezet dat de schaatsers die je daar zag, dat die al in Dokkum waren gewéést. Dat die nog maar een half uurtje hoefden. Je had grootmoedig geaccepteerd dat er zulke mensen bestonden. Ooit, over een paar uur, in ieder geval in een ander leven, zou je misschien ook in Dokkum zijn geweest. Dan kwam je hier ook weer langs, en dan was je er al bijna. Vol ongeloof schaatste je dat duistere gat in.

Het was nog donkerder dan verwacht, op die Ee. Af en toe een bonk, een gesmoorde kreet van een vallende schaatser. In het begin riep je nog, half achterom gedraaid: “Gaat het?”. Later schaatste je gewoon door, want je moest ook aan je eigen kansen denken.

Daar denkt dat groepje mannen ook aan, dat nu geruisloos voorbijschuift. Wielrenners, van die tempobeulen waarbij je soms een halfuurtje aanklampte, die je van Harlingen naar Franeker brachten voordat je het wist. Hun benen gaan over de slootjes bij Wanneperveen, maar hun gedachten gaan over de Spookhuistervaart. Daar boven ons, in die lege provincie, is het ijs aan het groeien.

Zo scheidt de Elfstedentocht de geesten. Je hebt de mensen die 'm nooit geschaatst hebben, die meteen “Beerenburg”, “Rayonhoofden” en “Tocht der Tochten” roepen als het koud wordt. En dan heb je de 14.989 schaatsers van tien jaar geleden die in een la hun kruisje hebben liggen, die elk jaar hun tientje contributie betalen en in december zorgelijk gaan kijken als er vorst wordt voorspeld. Zij weten: als de tocht doorgaat, moeten ze erbij zijn. Niet uit vrije keus, niet omdat het zo leuk is om 200 kilometer te schaatsen, maar omdat ze heel zeker weten: ze zouden het voor de televisie niet uithouden, ze zouden zich van spijt de grijzende haren uit het hoofd trekken.

En daarom zijn ze niet geheel zeker van hun gevoelens als ze in de Leeuwarder Courant lezen dat er tussen Hindeloopen en Workum nog een stuk water ligt van tien bij veertig meter, dat Birdaard nog in een wak van veertig meter kijkt, dat de Finkumervaart erbij ligt als “een vuilwitte gatenkaas” en dat in Bartlehiem het water “nog volop klotst” in de Ee. Windgaten in de Wijde Wijmerts en er kan nog wel een skûtsje door het Slotermeer.

Ze balanceren tussen hoop en vrees, die veteranen. Maar wat hopen ze, en wat ze vrezen ze precies?

Daar is Wanneperveen al, de auto staat er, dorpsherberg Eutje lokt en we hebben deze tocht volbracht. Maar het was maar achttien kilometer, nog niet eens het tiende deel van die tocht die er misschien wel komt. Vrijdag al, weet er een. Vrijdag? Dan zit er maar een ding op: nóg een keer die sloten door, maar nu wat sneller graag.

    • Warna Oosterbaan