Toneelkunst

De reactie van Arthur Sonnen (NRC HANDELSBLAD, 13 januari), op de rede van Brinkman vraagt om commentaar. Sonnen heeft geen gelijk: er is nog altijd meer kunst zonder, dan met subsidie, wereldwijd, maar ook in Nederland. Brinkman ontkende in zijn verhaal in het geheel niet dat er de afgelopen jaren op toneelgebied een belangwekkende en interessante ontwikkeling heeft plaatsgevonden. Hij signaleerde wel, dat juist die ontwikkeling bij een te beperkte groep terecht komt en brak een lans om het toneel uit dat groeiende isolement te halen en reikte daarvoor wat suggesties aan.

Het is niet verstandig om te ontkennen dat het toneel dat door de 'grote zeven' (gesubsidieerde gezelschappen) wordt gemaakt jaar op jaar publiek verliest. De cijfers van de VNT zelf laten het zien: in seizoen 80/81 trokken deze gezelschappen nog 646.886 bezoeken, in seizoen 94/95 was dat afgekalfd tot 333.614 bezoeken. Hoe kan de overheid in continuïteit 'ruimhartig en meerder mate' de door Sonnen zo warm ondersteunde ontwikkeling in de kunsten blijven garanderen als het draagvlak erodeert. Zonder publiek geen kunst.

Natuurlijk dienen er laboratoria en werkplaatsen te zijn waar ontwikkelingen worden gestimuleerd en dient daar niet op publieksaantallen gelet te worden, maar op ontwikkelingen. Daarnaast evenwel dient er door die laboratoria een aanbod te ontstaan dat door de markt wordt afgenomen.

In het voorbeeld van Sonnen: Philips topman Timmer heeft de research-afdeling niet gesloten, maar hij heeft er wel op toegezien dat niet de hele fabriek in een laboratorium veranderde. Dat is bijvoorbeeld bij het gesubsidieerd toneel in hoge mate wel gebeurd en dat is de ontwikkeling, waarvan de politiek steeds meer duidelijk laten horen: Kunsten let op uw zaakje.

    • Raadgevend Bureau voor de Kunsten
    • Dir. Stoa
    • Chris de Jong