Seksistisch zwijn

Vandaag is het vijftien jaar geleden dat een studente, toen ik voor haar hoffelijk de deur openhield, mij woedend vroeg wat ik mij verbeeldde, en wie ik dacht dat ik voor mij had.

En ik voelde, dat wanneer ze niet voor alle zekerheid rekening had gehouden met het feit dat ik misschien nog wel eens een tentamenbriefje voor haar zou moeten uitschrijven, ze er ook nog aan toegevoegd zou hebben dat ik een seksistisch zwijn was. Een en ander was uiteraard een implicatie van de zoveelste 'feministische golf', maar voor mij was, wat de emancipatie van de vrouw betreft, op dat moment de grens bereikt. De Engelse historicus Barraglough schreef eens dat met de val van Constantinopel een 'frontier' werd gesloten naar de Oosterse beschaving. Eeuwen werden we niet meer door die rijke cultuur bevrucht tot 'onze' Witte van Haemsteede de Moren versloeg bij het Manpad. Voor mij werd hier ook een 'frontier' gesloten. Kwam ik met vrouwen in een situatie die ouderwetse hoffelijkheid zou vereisen (een leeg kopje, gesloten deuren, gevallen voorwerpen, de weg, hoe laat) dan wachtte ik geduldig tot de situatie zich zonder mijn inmenging zou hebben opgelost. Kort geleden echter werd deze 'frontier' weer voor mij geopend. Mijn 'Manpad' was het derde perron van station Abcoude waar een jonge vrouw mij voor liet gaan bij het in de trein stappen. Er is wel eens geroepen dat de emancipatie voltooid zou zijn, wanneer er 'blijf van mijn lijfhuizen' voor mannen zouden komen. Mijn gedachte was vriendelijker en ging altijd uit naar het moment dat de mannelijke hoffelijkheid naadloos door vrouwen zou zijn overgenomen.

Dat was dus hier op perron 3 in Abcoude geschied. Tenminste dat dacht ik in eerste instantie. Wat was er bij nader inzien echter gebeurd? Dat meisje had een duidelijk oudere heer, misschien wel slecht ter been en niet meer zo handig in zijn bewegingen, schijnbaar extra tijd en ruimte bij het instappen gegund. Waar het in feite om ging was dat ik voor haar kennelijk niet behoorde tot een leeftijdsgroep waar je vrij en joviaal tegen aanstotend mee de trein in stapt. Haar beleefdheid was dus afstandscheppend.

Met uitzondering dan van verpleegsters die al van oudsher de deur voor de dokter openhouden. En sinds Medisch Centrum West weten we dat het dan juist niet de bedoeling is dat de arts op afstand blijft. De andere vrouwen hebben zich van de ouderwetse mannelijke hoffelijkheid meester gemaakt om de mannen op een subtiele wijze op hun plaats te zetten.

Een paar voorbeeldjes. Toen ik laatst op een secretariaat het plaatselijk hoofd nieuwjaar wilde wensen, werd mij vriendelijk een wang geboden, maar werd praktisch in dezelfde beweging een telefoongesprek hervat, terwijl mij op zakelijke toon gevraagd werd na het verlaten van de kamer de deur te sluiten, gezien de kennelijke intimiteit van dat gesprek. Een groet omdat het gebruikelijk is, maar wel gemarkeerd door duidelijkheid en afstand. Laatst wees ik voor het postkantoor een vrouw erop dat ze een mooie plastic tas verloor en reikte hem haar aan. Ze dankte me en liep snel verder en toen ik haar later met dezelfde tas vol boodschappen weer tegenkwam, keek ze, ik zou haast zeggen nadrukkelijk, langs me heen. Die vrouw zei me verder niets, maar ik zou wanneer ik de tasverliezer was geweest, nog eens vriendelijk geknikt hebben. Vrouwen zijn bang dat een dergelijk gebaar door mannen als een vorm van toenadering opgevat zal worden. Voor vrouwen moet hoffelijkheid altijd een functie hebben bij het vaststellen van de plaats van de mannen in hun omgeving. En hoe geƫmancipeerder ze zijn, hoe meer zij er koel en pragmatisch gebruik van zullen maken. Daar wordt de wereld niet warmer van. Zouden er werkelijk mannen zijn geweest, die dachten dat zij zelf ook door de vrouwenemancipatie gelukkiger zouden worden?