Maastricht moet maar worden opengebroken

Vijf jaar geleden sloot Europa een verdrag waarvan het nu steeds meer spijt begint te krijgen. De eisen die de landen zichzelf en elkaar stelden blijken veel te ambitieus te zijn geweest. Maar er is een uitweg, vindt Michèle de Waard.

Het debat over invoering van een Europese Monetaire Unie heeft hilarische vormen aangenomen. Binnen een week uitten prominente bankiers en politici openlijk hun twijfels over de haalbaarheid van de EMU. Ook de geestelijke vaders van de monetaire unie - voormalig president van Frankrijk Giscard d'Estaing en de vroegere voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors - menen dat het voor Frankrijk en Duitsland uiterst moeilijk wordt hun huishoudboekjes vóór de cruciale datum van 1 januari 1999 op orde te hebben. De conclusie ligt voor de hand: er zit niets anders op dan het Verdrag van Maastricht open te breken.

Zo erg is dat niet. Maastricht is een mythe. Het verdrag is te snel gesloten. Nog in 1991 wilde Frankrijk zijn voormalige aartsvijand Duitsland blijvend verankeren in Europa. De Duitsers waren na de eenwording vooral bang voor zichzelf. En voorzitter Nederland (premier Ruud Lubbers voorop) wilde per se een succes boeken. Alleen, de situatie in Europa was inmiddels heel anders dan na de Tweede Wereldoorlog.

Het Verdrag van Maastricht werd zo een dictaat van kille cijfers en starre percentages dat aan de lidstaten van de Europese Unie werd opgelegd. De politici die het akkoord sloten wisten dat vrijwel geen land aan de strenge voorwaarden ten aanzien van inflatie, begrotingstekorten en de nationale schuld zou kunnen voldoen. Slechts Luxemburg zou momenteel slagen voor de test. Is dat geen bewijs voor de rigiditeit van Maastricht?

De opstellers van het verdrag hebben niet duidelijk kunnen maken waar het in Europa om gaat. Ze hebben zich verscholen achter een bureaucratisch woud van abstracte criteria waarin de burger de weg is kwijt geraakt. Begrippen als nationale schulden en begrotingstekorten staan centraal, maar over banen wordt niet gesproken. Het grootste gemis van Maastricht is dat bevordering van de werkgelegenheid niet wordt genoemd als doelstelling van economisch beleid. Alsof het niet om banen gaat bij de zo geprezen integratie van de Europese markt.

Wie kende niet de dramatische ontwikkelingen? Al bijna twintig jaar had West-Europa te maken met een dalende jaarlijkse groei van de economie, dalende investeringen en teruglopende technologische vernieuwing. Met elke conjunctuurcyclus nam de werkloosheid verder toe. Al in 1979 wezen de grondleggers van het Europese wisselkoerssysteem - de Duitser Helmut Schmidt en zijn Franse vriend Giscard - de hoge en stijgende werkloosheid in Europa aan als een belangrijke reden om het Europees Monetair Stelsel op te zetten.

Europa leed in die dagen aan Eurosclerose. De twee oliecrises van 1973 en 1979 hadden het continent in de zwaarste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog gestort. In de concurrentie met Japan en Amerika raakte Europa sterk achterop. Toenmalig Europees industriecommissaris Etienne Davignon liet geen gelegenheid voorbij gaan om erop te wijzen dat Europa naar de periferie van de wereldeconomie zou afdrijven als het zijn slagkracht niet vergrootte.

De kersverse Jacques Delors, die in 1985 als EG-voorzitter aantrad, liet er geen gras over groeien. Hij liet een White Paper opstellen, een document waarin 300 belemmeringen werden genoemd die een gemeenschappelijke markt in Europa in de weg stonden. In 1992 moesten al die obstakels zijn weggewerkt. Dat is voor een belangrijk deel gelukt. Grenscontroles werden opgeheven, Griekse studenten konden aan Deense universiteiten studeren en Duitse banken mochten filialen openen in Italië. Alleen, de werkloosheid ging niet omlaag.

Terwijl Europa eind jaren tachtig druk doende was zijn economische positie te versterken, nam mondiaal gezien de concurrentie tussen ondernemingen toe. De politieke en economische liberalisering van de communistische landen, de moderne telecommunicatierevolutie en de wereldwijde liberalisering van de kapitaalmarkt leidden ertoe dat grote bedrijven een veel grotere keuzevrijheid kregen bij het kiezen van hun investeringen.

Dit proces is nog steeds gaande en de gevolgen daarvan zijn in Europa duidelijk voelbaar. Tal van bedrijven hevelen hun produktie over naar landen in Oost-Europa en Azië, waar goed geschoold personeel tegen een fractie van de kosten te krijgen is. Ondernemingen zijn in een vrijwel permanent proces van reorganisatie gewikkeld om leaner en meaner de concurrentie te lijf te gaan. Andere bedrijven, zoals Fokker, worden vermorzeld in de hevige competitie waarin het laag houden van de kosten doorslaggevend is geworden.

Veel Europeanen ondervinden dit aan den lijve. Overal vallen ontslagen. Angst en onzekerheid beheersen het continent. Angst bij jongeren of ze ooit werk zullen krijgen, onzekerheid bij werknemers hoe lang ze hun baan nog zullen behouden. Met een werkloosheid van elf procent begin dit jaar, was de economische stemming in de Europese Unie al somber. Zelfs nog voordat de teleurstellende groeicijfers uit Duitsland vorige week bekend werden.

Dit is koren op de molen van de Eurosceptici. Zij vrezen dat een verdere daling van de groei en dus een mogelijke recessie het de lidstaten nog moeilijker zal maken om aan de begrotingseisen voor de monetaire unie te voldoen. Zelfs Duitsland kan, zo blijkt, met een begrotingstekort van 3,6 procent van het bruto binnenlands produkt in 1995 niet aan de EMU-eis van 3 procent voldoen - tot schaamte van minister Waigel. Voor het lopende jaar ziet het er even slecht uit. Zonder economische groei zullen overheden nog dieper in hun begroting moeten snijden, wat tot verder verlies aan banen zal leiden. Begrijpelijk dat de vijandigheid tegenover de EMU almaar toeneemt.

Toch is het een misvatting dat de Europese Monetaire Unie de oorzaak van al dit economische onheil zou zijn. FNV-voorzitter Johan Stekelenburg zei twee jaar geleden te vrezen voor de toekomst van de Europese Unie als de leden er niet in slagen gezamenlijk de werkloosheid aan te pakken. Nationalisme en eigenbelang kunnen dan makkelijk de boventoon gaan voeren.

Stekelenburg heeft gelijk. Zijn waarschuwing dreigt uit te komen, de EMU wordt de zondebok. “De monetaire unie krijgt nu de schuld van alle offers die voor het terugdringen van het overheidstekort moeten worden gebracht', zei de president van De Nederlandsche Bank, W. Duisenberg, vorige week in deze krant.

Niet de EMU, maar de Europese Unie komt de blaam toe. Veel te lang hebben de lidstaten gewacht om hun overheidstekorten te verlagen en de sociale stelsels te hervormen, waardoor de bruto loonkosten tot ongekende hoogten zijn gestegen. De Europese Unie, machteloos als zij is, heeft dit proces niet kunnen keren.

EMU of geen EMU, sanering van overheidsfinanciën is een noodzaak. Alleen al met het oog op toekomstige pensioenvoorzieningen moeten de rentelasten op de nationale begrotingen sterk worden verminderd. De Duitse minister van sociale zaken, Norbert Blüm, heeft berekend dat de 300.000 werknemers die vorig jaar met vervroegd pensioen zijn gegaan, de staat jaarlijks 60 miljard mark extra kosten aan pensioenbetalingen.

EMU of geen EMU, hervorming van de sociale stelsels in West-Europa is evenzeer onvermijdelijk: privatisering van delen van de sociale verzekering, variabele werktijden en CAO's, afbouw van vervroegde pensionering, vermindering van kosten van laaggeschoolde arbeid.

EMU of geen EMU, de dynamiek van de Europese economieën kan worden vergroot door afschaffing van tal van belastende regels om produkten op de markt te brengen. Volgens een rapport van McKinsey zijn dergelijke regels zeker zo belangrijk als oorzaak voor de geringe banengroei vergeleken met de VS of Japan, als de starre arbeidsmarkt. Al deze maatregelen kunnen genomen worden, los van een Europese Monetaire Unie.

Nu de sociale prijs van het Verdrag van Maastricht zo hoog lijkt te worden, dat prominenten als Duisenberg, leden van de Bundesbank, Jacques Delors en Giscard d'Estaing de strenge toelatingseisen in twijfel trekken, lijkt het raadzaam het verdrag op korte termijn aan te passen en van een reële maatschappelijke basis te voorzien. Dat kan tijdens de komende intergouvernementele conferentie in maart in Turijn. Een mogelijkheid is de criteria te versoepelen en ze slechts als richtlijnen te beschouwen, wat volgens de tekst van het verdrag ook mag. Maar minister Waigel zou nog liever zijn hoed opeten. Een andere optie is uitstel tot het moment dat de internationale economie aantrekt en landen meer tijd krijgen hun staatshuishoudkunde op orde te brengen. Wat heeft het voor zin een Europa te bouwen op de ruïnes van de verzorgingsstaat als in te korte tijd te ingrijpende maatregelen moeten worden genomen?

Europa is een moeilijk project, zei de Duits-Britse socioloog Ralf Dahrendorf in 1993. In de jaren negentig zijn er meer tegenwerkende dan helpende krachten. De Europese Monetaire Unie kan de economische dynamiek vergroten en de voorwaarden scheppen voor groei en werk. Maar een rigide uitvoering van Maastricht leidt eerder tot desintegratie van Europa dan tot integratie. Daarmee wordt meer kapot gemaakt dan de politieke elites voorlopig willen toegeven.