Gentleman

Toen ik las dat Jef Mermans was overleden, kwam er een gevoel van spijt bij mij boven. Waarom? Hij was drieënzeventig en eenmaal worden de ogen voorgoed gesloten. Bovendien had ik hem minstens een kwart eeuw niet meer gezien of gesproken. En geen land-, straat-, of clubgenoot ook nog. Nee, maar Mermans was een zeer goed sportman. Een kanjer en bovendien een sympathiek mens. Hij heeft dertienmaal tegen het Nederlands elftal gestreden en hij was één van de beste, stijlvolste Rode Duivels die men kon tegenkomen. Ook daarom is het absoluut niet geloofwaardig wat Anderlecht met hem heeft gedaan. Hij mocht daar namelijk niet weg, zolang de trotse Brusselse club hem wilde behouden. En dat kon, want Mermans had een eeuwig doorlopend contract getekend - dom natuurlijk, maar die andere Belg, die niet eens naar Duinkerken mocht verkassen, had de kat de bel nog niet aangebonden. Het was nog de tijd van de hele-, halve- en vooral kwart amateurs. Jef Mermans was er één van. Vooral in Engeland en Frankrijk trok men de beurs al open om hem over te nemen, maar Anderlecht gaf geen krimp en Mermans bleef waar hij was.

Hij was tamelijk lang van stuk en hoewel stevig van bouw, geen rouwdouwer. Hij had juist iets sierlijks over zich en was technisch goed uitgerust. Toch was hij, behalve een combinatiespeler, ook een doelpuntenfabrikant met een droog en zuiver schot in beide benen. In de nationale ploeg debuteerde hij tegen Nederland in 1946, toen de Belgische aanval geleid werd door de schoolmeester Bert Decleyn. Het was de eerste ontmoeting tussen Belgen en Nederlanders na Wereldoorlog II en omdat Decleyn een leiderstype was en bovendien van nature schotvaardig, moest Mermans linksbuiten spelen en Decleyn midvoor. Dat was, ondanks de 6-3 nederlaag voor de Belgen, de start van een interland-carrière voor Jef Mermans die volle tien jaren zou duren. Hij doelpuntte negenmaal tegen Oranje.

Het was in de tijd waarin de Belgen zeer goede aanvallers bezaten. Één ervan, Pol Anoul uit Luik, was zelfs zowel aanvaller van klasse als verdediger. En een man met een buitenlandse naam (Chaves d'Aguilar), een robuust-gebouwde binnenspeler, die toch gewoon in het zeer Vlaamse Gent voetbalde, stond ook in de jaren vijftig zijn mannetje. Standard Luik kwam later met een zekere Claessens op de proppen. Men noemde hem een nozem en menig Belg wilde weinig met hem te maken hebben. Maar ik herinner me een interland tegen (zeg maar) 'ons', die de Belgen met 4-0 wonnen en waarbij die Claessens drie van de vier treffers op zijn conto schreef. Hij was betrekkelijk snel weer verdwenen, maar dat kon men van Rik Coppens niet zeggen. 'De Antwerpse viskoper' had wellicht een afwijkende leefwijze, maar op het veld legde hij de bal vaak op voor ons onaangename manier zijn wil op. Een soort George Best, maar dan op z'n Vlaams. Heel wat duels heeft die Coppens met laatste man Rinus Terlouw uitgevochten. Er was in Belgenland ook vaak een polemiek gaande over de vraag of Coppens, de briljante individualist en Mermans, de ploegspeler, wel in éénzelfde aanvalslinie konden floreren. Het antwoord hing van Coppens af. Had die een dag waarop hij niemand de bal gunde dan zichzelf, dan liep Mermans er flets bij. Maar viel er tussen beiden te combineren, dan was het antwoord ja.

Mermans was een gevoelig mens, geen egocentrische Draufgänger. In 1951 kwam hij bij een duel dat met de merkwaardige cijfers 6-7 door de Belgen werd gewonnen, in botsing met Henk Schijvenaar, onze verdediger. Die brak een been bij die gelegenheid. Het leek alsof Mermans, die geen schuld had aan het ongeluk, nog meer van de kook was dan Schijvenaar. De Belg liep huilend over het veld en raakte geen bal meer - ook geen tegenstander trouwens. Gaandeweg werd hij in eigen land overvleugeld door eerst Coppens en later door een Anderlecht-collega, Stockman. Verbeeld ik het me, of hadden de Belgen in Mermans' tijd betere aanvallers dan tegenwoordig? Ik ben er nog ten minste één vergeten: Victor Lemberechts uit Mechelen, een kogelrond kereltje, dat dan ook 'torke' werd genoemd en vanaf de rechter wing gevaarlijk placht te worden.

    • Herman Kuiphof