Factotem

Ofschoon er in de familie over werd gezwegen, had tante Toos de merkwaardige eigenschap zich languit op de vloer te werpen en zich jammerend de haarspelden uit het hoofd te rukken wanneer zij dacht in haar diepste wezen te zijn gekwetst, of te worden aangevallen op dingen die heel gevoelig bij haar lagen (zij was zeer gelovig, had een moederbinding en een afschuw van mannen en het huwelijk).

Verder gedroeg zij zich volkomen normaal, was een zorgzame dochter voor mijn grootmoeder, met wie zij op een kleine etage in de Zwartjanstraat woonde, en stond altijd voor iedereen klaar. Dit gold in het bijzonder de gezinnen van haar drie getrouwde zusters - ik heb haar meer dan eens horen zeggen dat ze alleen maar van haar familie hield - bij wie zij voor een schijntje een dag per week kwam werken en die, rekening houdend met haar vreemde neiging, ieder meningsverschil uit de weg gingen. Dientengevolge kreeg zij, in weerwil van haar goedheid en hulpvaardigheid, iets overheersends in haar manier van doen, zodat ik, die als kind het meest met haar te maken had, haar willoos de baas over mij liet spelen uit angst voor een eventuele woedeaanval, waarvan ik één keer, terwijl mijn grootmoeder haar tevergeefs trachtte te kalmeren, de verbijsterde getuige was geweest.

Dat ik de enige van haar nichtjes was met wie tante Toos jarenlang optrok, kwam door het beroep van mijn ouders, die veel op reis waren daar ze als zingend duo in bioscopen en variététheaters optraden. Ik heb dan ook mijn halve jeugd bij mijn grootmoeder en tante Toos gelogeerd, van wie de laatste zich beijverde haar onmiskenbare, maar verborgen moederinstincten op mij bot te vieren. Zij hield mijn kleren schoon en streek mijn jurken, gaf me elke week een grote wasbeurt in een zinken teil en bracht me naar bed op de donkere zolder, waar ik naast haar in het ijzeren ledikant sliep, en we eens op het nippertje aan een confrontatie met een inbreker zijn ontsnapt.

Dit avontuur, dat me nog doet huiveren als ik eraan terugdenk, gebeurde in de zomer. Omdat het heel warm was, had tante Toos overwogen het dakraam op een kier te zetten, maar had het bij nader inzien toch maar dicht gelaten - tot ons geluk, zoals bleek toen we midden in de nacht wakker werden door gestommel op het dak. Aanvankelijk dachten we aan vogels of katten, maar naarmate het geluid dichterbij kwam luisterden we scherper, tot we, half overeind gekomen, zagen hoe een vage gedaante met een hoed op zich langzaam op handen en voeten door de dakgoot voortbewoog. Onwillekeurig lieten we ons plat achterovervallen (ik dacht nog: wat vreemd, een dief met een hoed op) en staarden verlamd van schrik naar de ineengedoken schim, die voor het raam bleef talmen en tenslotte probeerde het omhoog te schuiven. Toen dat niet lukte - tante Toos fluisterde me geruststellend toe dat het onmogelijk open kon omdat de pen erop zat - deed de man nog een poging om er een of ander voorwerp tussen te wrikken, wat evenmin het gewenste resultaat opleverde. Een ogenblik leek hij te aarzelen, en terwijl wij onze adem inhielden en ons niet durfden te bewegen, zag ik hem al de ruit inslaan en naar binnen klimmen, waar hij ons misschien wel zou vermoorden. In plaats daarvan dook hij echter weer ineen en begon verder te schuifelen.

Op dat moment sprong tante Toos uit bed, trok mij over de zolder mee naar de trap en duwde mij voor zich uit de treden af. Daarbij had zij nog de tegenwoordigheid van geest de zolderdeur achter zich op slot te doen, en met de uitroep 'Er zit een vent op het dak!' viel zij met mij de huiskamer van mijn grootmoeder binnen, die meteen rechtop in de bedstee zat en, niet erg onder de indruk, thee ging zetten om ons te kalmeren, zoals ze nuchter opmerkte. De komende uren brachten we aangekleed op de punt van onze stoel door, en toen het eindelijk dag werd, liep tante Toos naar het bureau op de Bergsingel om de politie te waarschuwen.

Ze kwam terug met twee agenten, die het dak opklommen en het huizenblok tussen de Zwartjanstraat, Burgemeester Roosstraat en Jacob Catsstraat tot aan het Kerkplein afzochten. Er was echter nergens iemand te bekennen; als enig bewijs van nachtelijk bezoek werd in een goot verderop een aantal sigarettepeuken aangetroffen. Naderhand hoorden we wel dat er inbraaksporen waren gevonden in het leegstaande pand van De Gruijter niet ver van ons vandaan, dat wegens verbouwing in de steigers stond. Verder hebben wij er nooit meer iets over vernomen, maar tante Toos had zich als een heldin gedragen en zich bij de aanblik van een wildvreemd manspersoon in de omlijsting van het raam tegenover haar bed niet jammerend op de zoldervloer geworpen, zoals ik heimelijk had gevreesd.

Vele tientallen jaren later, toen mijn grootmoeder op hoge leeftijd stierf, bleef tante Toos eenzaam en ontroostbaar achter. Zij is nooit over de dood van haar moeder heen gekomen, en nadat ook haar oudere zusters waren gestorven - bij wie zij tot het laatst, en zelf al over de tachtig, is blijven werken - begon zij te dementeren. In het verpleeghuis, waar ik haar om de twee weken opzocht, weigerde zij zich bij het ontredderde gezelschap in de zogenaamde huiskamer te voegen, behalve voor de maaltijden, en bleef naast haar bed op het slaapzaaltje zitten dat zij met nog drie andere vrouwen deelde. Daar heeft zij geduldig op het einde gewacht, en iedere keer als ik wegging moest ik haar beloven dat we haar bij haar moeder in het familiegraf zouden laten begraven.

    • Tonny van der Horst