Düzgün verdween, vermoedelijk in een politiecel

ISTANBUL, 30 JAN. Düzgün Tekin (21) verdween op 21 oktober, op weg naar zijn werk in Istanbul. Hij is een aleviet (een niet-orthodoxe shi'itische moslim), afkomstig uit een dorp in de provincie Tunceli in het Koerdische zuidoosten van Turkije. Hij was actief in de textielvakbond en hij sympathiseerde vermoedelijk met de linkse stadsguerrilla-organisatie DEV-SOL (Revolutionair Links). Vrijwel niemand twijfelt eraan dat Düzgün door de politiemannen in burger werd opgepakt die hem in de week voor zijn verdwijning volgden.

Zijn ouders, Elif en Veli Tekin, zijn sinds drie maanden elke zaterdag op het Galatasaray-plein in het hartje van Istanbul te vinden, waar zij samen met honderden familieleden, vrienden en sympathisanten van de zeker driehonderd andere vermisten in Turkije elke week een herdenkingsbijeenkomst houden. De stemming is deze zaterdag geladen. Er wordt niet alleen aandacht gevraagd voor de zaak van Düzgün Tekin, maar ook voor de eerder deze maand in politiedetentie doodgeslagen journalist Metin Göktepe van de linkse krant Evrensel (Universeel). De betrokken agenten zijn inmiddels ondervraagd en tegen vijftien van hen is een officiële aanklacht ingediend. Maar tegelijkertijd houdt de Turkse premier Tansu Çiller vol dat het martelen van Göktepe met de dood als gevolg een “geïsoleerd incident” is.

“Çiller is de grootste leugenaar in dit land”, schampert een vrouw uit Malatya (Midden-Turkije), die speciaal naar Istanbul is gereisd om haar steun te betuigen aan de zaak van de vermisten in Turkije die zo goed als zeker allemaal zijn doodgemarteld tijdens een illegale arrestatie en daarom moesten verdwijnen. Anderen menen dat de passieve opstelling van de burgers de reden is dat de repressie nog steeds op grote schaal plaatsheeft in Turkije en dat de rechten van de mens met voeten kunnen worden getreden.

Baba en Emine Ocak hebben hun angst voor de autoriteiten inmiddels overwonnen. Hun zoon, Hasan Ocak (30), verdween op 21 maart van het vorig jaar. Hij had zijn moeder nog gebeld om te zeggen dat hij die avond laat thuis zou komen. Wekenlang klopten zijn ouders aan bij de politie, officieren van justitie, ziekenhuizen, ministers en parlementariërs met het verzoek Hasan, een voormalige onderwijzer met linkse sympathieën, op te sporen. Soms, zoals tijdens een bezoek aan de gouverneur van Istanbul, worden ze geslagen. Emine Ocak verdween zelfs voor een maand in de gevangenis toen hij in Ankara de rechtszaak bijwoonde tegen de leiders van de organisatie voor de rechten van de mens, die worden beschuldigd van separatisme.

Maar op 15 mei kwam er plotseling schot in de zaak. Een verpleegster van een ziekenhuis in Bakirköy, een wijk in het Europese deel van Istanbul, belde met de mededeling dat er een stoffelijk overschot van een onbekende is binnengebracht: wellicht hun zoon.

Pag.6: 'Wat zijn dat voor moslims in dit land die ons dit aandoen?'

De onbekende in het ziekenhuis bleek niet hun vermiste zoon te zijn, maar Baba en Emine Ocak kregen er wel de tip om naar de gerechtelijke geneeskunde te gaan, waar de documentatie wordt bijgehouden van de doden zonder identiteit. Emine Ocak kan haar emoties niet langer de baas als Baba Ocak vertelt hoe hij in de eerste enveloppe die hij daar opende de foto van zijn dode zoon aantrof.

Vervolgens maakten de ouders van Hasan Ocak een nieuwe gang langs de autoriteiten: zij eisten het lijk op van hun zoon die inmiddels was begraven tussen al de andere 'onbekenden' in Istanbul. Omdat Hasan twee keer was gearresteerd, waren er vingerafdrukken van hem, waardoor hij kon worden geïdentificeerd. Na geruime tijd lukte het Baba Ocak eveneens om de directeur van de begraafplaats informatie te ontfutselen over de plek waar hun - zwaarverminkte - zoon lag. Hasan Ocak, die wordt gezien als een van de leiders van de linkse opstand van vorig jaar maart in de Gaziwijk in Istanbul, waarbij tientallen doden en gewonden vielen onder de burgers, werd uiteindelijk onder grote belangstelling herbegraven. Een steen heeft zijn graf nog steeds niet. “Die is door de politie bij de steenhouwer weggehaald”, vertelt Baba Ocak, omdat zij zich niet kon verenigen met de tekst die zij erop willen hebben: “Dit soort praktijken zijn in Argentinië begonnen, kregen een vervolg in Chili en worden nu in dit land toegepast.”

“Om al de vermisten in Turkije te herdenken”, zegt hij, “komen we nu al 36 weken lang elke zaterdag op het Galatasaray-plein samen.” Hij wil de actie zo lang als nodig is voortzetten.

Elif Tekin maakt de wekelijkse gang naar het Galatasaray-plein omdat ze zo hoopt te bereiken dat ze haar zoon Düzgün ooit nog eens levend in de armen kan sluiten. “Wat zijn dat voor moslims in dit land die ons dit aandoen”, zegt ze verdrietig. “Als mijn zoon een fout heeft begaan, moet hij worden berecht, maar hij kan niet zomaar worden gedood.” Tot Elif Tekin het lijk van haar zoon heeft gezien, geeft ze de hoop niet op dat hij nog in leven is.

De stoet rouwenden op het Galatasaray-plein groeit wekelijks en beperkt zich niet meer tot familieleden alleen. Sympathisanten sluiten zich met rode anjers bij hen aan. Maar ook de lijst met vermisten wordt langer. Volgens Erkan Kanar, voorzitter van de Vereniging voor de Rechten van de Mens in Istanbul, werden in de jaren tachtig dertien mensen vermist na hun 'arrestatie'. “Het aantal ligt nu op 75. Dat betekent dat er tussen 1990 en 1995 62 nieuwe gevallen bijkwamen. Het gaat hier om mensen van wie getuigen hebben verklaard dat ze werden opgepakt. In werkelijkheid ligt het aantal vermisten zeker op 300, waarvan de afgelopen vijftien jaar maar in zeven gevallen de lijken werden aangetroffen.” Zeker 75 procent van de verdwijningen had plaats in Zuidoost-Turkije, waar nog steeds de uitzonderingstoestand geldt en het leger in een guerrillastrijd is verwikkeld met de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). Uit angst voor de repressie van de staat worden vermisten in deze regio lang niet altijd opgegeven bij bijvoorbeeld de Vereniging voor de rechten van de mens.

In vrijwel alle gevallen, het maakt daarbij niet uit of de verdwijningen nu in een van de Turkse metropolen of in het zuidoosten gebeuren, gaat het om jonge mensen met een Koerdische en/of alevitische achtergrond en linkse sympathieën. Sommigen van hen hebben banden met verboden organisaties, zoals Fehmi Tosun die op 19 oktober in Istanbul verdween, na eerst enkele jaren in Diyarbakir in de gevangenis te hebben doorgebracht wegens steun aan de PKK. De verdwijning van Hasan Ocak wordt als een vergelding van de politie gezien voor de opstand in de Gaziwijk, die dagenlang aanhield nadat agenten onder het oog van televisiecamera's het vuur op de demonstranten hadden geopend. Vrijwel altijd is er een witte Renault 9 in het geding, van waaruit agenten of veiligheidsmensen in burger mensen eerst dagenlang in de gaten houden en hen vervolgens erin afvoeren.

Erkan Kanar meent dat er twee redenen zijn waarom het aantal verdwijningen in de afgelopen jaren is toegenomen, ondanks de druk vanuit Europa op Turkije om democratische hervormingen door te voeren en de mensenrechten na te leven. “Turkije voert een oorlogspolitiek tegen de Koerden, maar de strijd beperkt zich allang niet meer tot het Koerdische zuidoosten. Miljoenen Koerden wonen inmiddels in de metropolen en zijn ook daar politiek actief. Ten tweede is de druk vanuit het volk te klein om dit soort praktijken tot een einde te brengen. De algemene angst is nog steeds dat wie zijn mond opendoet wel eens het volgende slachtoffer kan zijn.”

De ontwikkelingen in Turkije in afgelopen weken getuigen niet van een milder klimaat. Het jaar begon met gevangenisopstanden, waarbij vier doden vielen, de dood van Metin Göktepe door toedoen van de politie, de moordaanslag vanuit extreem-linkse hoek op twee vooraanstaande industriëlen en een secretaresse in een streng bewaakt kantorencomplex in Istanbul, gevolgd door de aan de PKK toegeschreven dood van elf burgers bij een wegblokkade in de provincie Sirnak, aan de grens met Irak.De PKK zou hiermee het eenzijdig door haar uitgeroepen staakt-het-vuren hebben geschonden. Kanar zegt dat het zijn organisatie “uit getuigenissen van mensen in de regio duidelijk is geworden dat de aanslag op de minibus niet het werk was van de PKK, maar van de veiligheidstroepen”. Zij zouden zo verhaal hebben willen halen op de slachtoffers: dorpswachters die bij de recente verkiezingen op de pro-Koerdische HADEP hebben gestemd. Tegelijkertijd hadden zij de internationale gemeenschap ervan willen overtuigen dat het vredesinitiatief van de PKK slechts een propagandastunt is.

“Het begint erop te lijken”, aldus Kanar, “dat de angst gerechtvaardigd was dat de Turkse staat de repressie zou opvoeren, zo gauw het Europese Parlement zou instemmen met de douane-unie. Hoe valt het anders te verklaren dat nu de economische integratie van Turkije in Europa een feit is, we plotseling worden geconfronteerd met een golf van geweld?”