Corruptiebestrijding komt twintig jaar na 'Lockheed' traag op gang

Smeergeld en corruptie zijn vertrouwde verschijnselen in de Derde Wereld, in Azië, en ook, en steeds vaker in Europa. De VS waren in 1977 de eersten met wetgeving ter bestrijding van steekpenningen die bedrijven betalen om orders binnen te krijgen. Het was mede een gevolg van de Lockheed-affaire. Pas in 1994 werden na jarenlange discussie in OESO-verband aanbevelingen gedaan over bestrijding van corruptie bij internationale transacties. De helft van de OESO-lidstaten heeft inmiddels strafwetgeving geïntroduceerd tegen grensoverschrijdende corruptie. Maar corruptiebestrijding blijft een moeizaam gevecht. Volgens uiteenlopende schattingen verdwijnt jaarlijks 26 tot 50 miljard dollar aan smeergeld in de zakken van corrupte functionarissen. “Wij spreken niet over corruptie, maar over geven en nemen”.

Op de vloedgolf aan onthullingen over smeergeldpraktijken in Italië volgden vorig jaar de schandalen in Frankrijk - ruim honderd politici en functionarissen worden er verdacht van corrupte praktijken, een minister draaide de gevangenis in en Pierre Suard, de topman van Alcatel, een van de grootste Franse bedrijven, moest aftreden. In Duitsland kost corruptie bij openbare werken de overheid zeven miljard dollar volgens de berekening van Wolfgang Schaupensteiner, de speciale aanklager in Frankfurt die sinds 1987 1.560 gevallen van corruptie bij overheidsfunctionarissen heeft vastgesteld. Bij de autofabriek Opel worden maar liefst 65 employés verdacht van het aannemen van steekpenningen. NAVO-secretaris-generaal Willy Claes was vorig jaar het bekendste slachtoffer van de Agusta-affaire, die België al jaren bezighoudt.

Op initiatief van de Verenigde Staten heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waarin de Westerse industrielanden samenwerken, een begin gemaakt met de bestrijding van omkoping van functionarissen in het buitenland.

Nederland gaat zijn strafrechtgeving aanpassen om omkoping door Nederlanders in het buitenland strafbaar te stellen. Dit zal Nederland meedelen in het forum van de OESO waarin wordt overlegd hoe omkoping en corruptie in het internationale zakelijke verkeer dient te worden bestreden.

Volgens de leider van de Nederlandse delegatie in dit OESO-overleg, mr. A.J.W. van der Linde van het directoraat-generaal voor buitenlandse economische betrekkingen van het ministerie van Economische Zaken, zijn deskundigen van het ministerie van Justitie tot de conclusie gekomen dat nieuwe wetgeving noodzakelijk is voor een effectieve bestrijding van omkoping door Nederlanders in het buitenland. In Nederland is omkoping al lang verboden. Behalve Economische Zaken zijn ook de ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken in de Nederlandse OESO-delegatie vertegenwoordigd.

Tot voor kort nam Nederland in het OESO-overleg het standpunt in dat een Nederlands bedrijf dat in een ander land steekpenningen betaalt, in Nederland strafbaar is op basis van artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht. Bij het ministerie van Justitie heerst echter inmiddels de opvatting dat aanpassing van de strafwetgeving gewenst is.

Omkoping is in vrijwel elk land strafbaar. Dit geldt echter in het algemeen niet voor omkoping in een ander land. In mei 1994 bereikten de OESO-landen na jarenlange discussie overeenstemming over een aanbeveling om omkoping bij internationale zakelijke transacties te bestrijden. In deze eerste multilaterale afspraak om omkoping van buitenlandse functionarissen werkzaam bij de overheid tegen te gaan, worden de OESO-lidstaten opgeroepen hun nationale wetgeving zonodig in deze zin aan te passen.

In veel OESO-landen, waaronder Nederland, zijn (in het buitenland betaalde) steekpenningen voor de belastingen aftrekbaar als 'bedrijfskosten' - wat in feite betekent dat de staat meebetaalt aan corrupte praktijken. Hierbij dient wel te worden bedacht dat een belastinginspecteur moeilijk kan uitmaken of opgevoerde aftrekposten steekpenningen zijn. In de OESO-aanbeveling worden de lidstaten opgeroepen hun belastingwetgeving aan te passen, opdat die niet langer bepalingen bevat die crimineel gedrag bevoordelen. De aftrekbaarheid van steekpenningen wordt afgekeurd, hoewel veel ministers van financiën van OESO-landen daar aanvankelijk niet van waren gediend.

Nederland volgt de aanbeveling niettemin met de invoering, waarschijnlijk nog dit jaar, van de zogenoemde pitbull-wetgeving, pendant van de bekende 'pluk-ze-praktijk', waaraan de belastingdienst 'erkende' criminelen onderwerpt. In de pitbull-wet zal worden bepaald dat uitgaven, gedaan in het kader van criminele activiteiten, niet langer aftrekbaar zullen zijn voor de belasting. Deze bepaling geldt volgens Van der Linde dan ook voor de criminele activiteit van omkoping in het buitenland, mits aan een voorwaarde is voldaan. Steekpenningen, betaald in het buitenland, zullen niet langer voor de belasting aftrekbaar zijn als de persoon die zich aan deze omkoping schuldig heeft gemaakt door de Nederlandse rechter terzake is veroordeeld.

Van der Linde erkent dat de effectiviteit van deze wetgeving voor de daadwerkelijke bestrijding van omkooppraktijken door Nederlandse bedrijven in het buitenland waarschijnlijk beperkt zal zijn. Het lijkt niet waarschijnlijk dat functionarissen van bedrijven in Nederland zullen worden veroordeeld wegens omkoping in een ander land - het wettig en overtuigend bewijs zal immers doorgaans niet gemakkelijk geleverd kunnen worden. Van der Linde stelt dat er geen andere praktische oplossing mogelijk was. Het uitgangspunt bij de bepaling van het Nederlandse standpunt over de praktische uitvoering van de OESO-aanbeveling was, zo licht hij toe, dat “onze bedrijven op de markt moeten kunnen opereren, en onze investeerders en exporteurs mee moeten kunnen doen. En daarom moeten alle landen loyaal meewerken aan de uitvoering van de aanbeveling”.

De aanbeveling van de OESO is inmiddels door ongeveer de helft van de lidstaten opgevolgd met de introductie van strafwetgeving tegen grensoverschrijdende corruptie. De OESO-actie staat niet op zichzelf, aldus Van der Linde. Hij wijst op de waakhond-functie die de banken vervullen bij de contracten die de overheid gunt en de richtlijnen van de Europese Unie inzake het verlenen van opdrachten door de overheden van de EU-lidstaten. De Europese Commissie werkt aan een strenge gedragscode voor haar ambtenaren, onder meer omdat vorig jaar is gebleken dat enkele Europese ambtenaren waren omgekocht. Ook in het Europese Parlement wordt aangedrongen op maatregelen om corruptie aan te pakken.

Binnen het kader van de OESO wordt de druk opgevoerd - ook ten opzichte van Oosteuropese landen als Hongarije en Tsjechië die nog geen lid van de organisatie zijn - om paal en perk te stellen aan praktijken die de werking van de vrije markt verstoren. De Internationale Kamer van Koophandel is doende haar 'code' inzake bestrijding van omkoping en afpersing te verscherpen. De code, die al in 1978 werd opgesteld, is onder andere door de Nederlandse werkgeversorganisaties onderschreven. Diverse grote internationaal opererende ondernemingen, zoals Shell en Akzo Nobel, hebben eigen gedragscodes die omkoping strikt, en vaak op straffe van ontslag, verboden stellen.

De OESO-aanbeveling over de bestrijding van omkoping is een laat, maar rechtstreeks gevolg van de fameuze Lockheed-affaire in het begin van de jaren zeventig. De Amerikaanse vliegtuigbouwer betaalde tussen 1970 en 1975 95 miljoen gulden (ruim 6 procent van de omzet van het bedrijf) aan smeergelden aan functionarissen in dertig landen, waaronder Nederland (dat van Lockheed Orion-vliegtuigen kocht) waar prins Bernhard ten minste 100.000 dollar ontving. Het meeste smeergeld ging naar Japan, waar premier Tanaka 1,8 miljoen dollar aan steekpenningen kreeg in ruil voor de aanschaf van Lockheed TriStars door All Nippon Airways. Tanaka werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en een boete van 5,8 miljoen dollar.

Op de onthullingen over de Lockheedpraktijken die tot politieke spanningen tussen de VS en tal van betrokken landen leidden, reageerde het Amerikaanse Congres met de invoering, in 1977, van de Foreign Corrupt Practices Act. Daarin wordt kort gezegd omkoping in het buitenland verboden, niet alleen omdat dit moreel verwerpelijk is maar ook omdat de werking van de vrije markt erdoor wordt verstoord. De Amerikaanse regering kreeg tevens opdracht internationaal actie te ondernemen opdat zoveel mogelijk andere landen eveneens omkoping in het buitenland strafbaar zouden stellen. De aanbeveling van de OESO is het resultaat van deze Amerikaanse actie.

    • Jan Gerritsen