Sorgdrager: Waarheid IRT nooit boven tafel

DEN HAAG, 29 JAN. Er zal nooit duidelijkheid komen over de vraag wie er vorig jaar tijdens de parlementaire enquête de waarheid heeft gesproken: minister Sorgdrager (justitie) of de Haagse hoofdofficier van justitie J. Blok. Dit zei Sorgdrager gisteravond in een vraaggesprek met Brandpunt.

Na de openbare verhoren van de enquêtecommissie bleven twee tegenstrijdige verklaringen hangen waarbij de minister van justitie was betrokken. Die zijn nog steeds niet opgelost. Mogelijk laat de commissie-Van Traa, die donderdag het eindrapport uitbrengt, zijn licht erover schijnen. Blok verklaarde begin november onder ede dat hij begin 1994 met de toenmalige procureur-generaal Sorgdrager had gesproken over de gecontroleerde doorlevering van tweehonderd kilo harddrugs. Zij was daarvan op de hoogte, zo beweerde Blok met stelligheid. Toen Sorgdrager op 9 november werd verhoord zei ze tegen Van Traa zich “absoluut niet” te kunnen herinneren dat zij met Blok over door de Haagse politie gecontroleerde doorleveringen had gesproken. “Als ik het had geweten zou ik het zeker gemeld hebben aan de minister van justitie”, zei Sorgdrager destijds.

“Het gaat erom wat er ooit een keer is gebeurd”, aldus de minister gisteravond voor de televisie. “Het gaat erom wat je je herinnert, niet of iemand wel of niet de waarheid heeft gesproken. Ik denk dat we er helemaal niet achterkomen wat de waarheid is. De één beweert dit en de ander beweert dat. Wat is dan waar, als je geen andere gegevens hebt? Ik denk dat waar is wat ik zeg, en een ander denkt dat waar is wat hij zegt.”

De doorleveringen van cocane door het zogenoemde CoPa-team van de Haagse politie werden in januari 1994 aan Sorgdrager gemeld, zei Blok voor de enquêtecommissie. Dit was ruim een maand nadat het IRT Noord-Holland/ Utrecht was ontploft omdat dit team op grote schaal softdrugs op de markt bracht in een poging een grote misdaadbende op te rollen. Deze opsporingsmethode werd destijds goedgekeurd door de commissie-Wierenga, vooral omdat er geen harddrugs op de markt waren gebracht. In het IRT-debat in de Tweede Kamer, 7 april 1994, speelde dit gegeven een hoofdrol in de verdediging van de methode door toenmalig minister Hirsch Ballin.