MITSUKO UCHIDA OVER Schubert en Schönberg

Concerten: 3/2 en 28/2, Concertgebouw Amsterdam.

“Als je voor een schilderij staat kun je de tijd nemen om alle informatie in je op te nemen, maar bij Schönberg flitst die informatie in enkele seconden aan je voorbij. Ik wilde een programma maken rondom degenen die Schönberg als componist van pianomuziek hebben beïnvloed. Het duidelijkst zijn dat Bach en Brahms; op de achtergrond spelen echter Beethoven en Mozart een rol, en vooral Schubert. Uiteindelijk vond ik dat concept te voor de hand liggend. Daarom heb ik het programma toegespitst op de tegenstelling Schubert-Schönberg. Schönberg: rigoureus, intellectueel, een componist die muziek schreef met een hoge concentratiedichtheid en daarom zo moeilijk is voor de luisteraar. En daartegenover Schubert: de componist die met schijnbaar gemak eindeloos voortvloeiende muziek schreef. De eenheid in het programma wordt gevormd door dit contrast, en door hun gedeelde obsessie voor muziek, beider bezetenheid om nieuwe oplossingen te vinden. Zelfs Schubert zocht en vond nieuwe oplossingen.”

De Japanse pianiste Mitsuko Uchida geeft de komende maand in het Concertgebouw twee recitals waarin zij het majestueuze drietal sonates dat Schubert in zijn laatste levensjaar componeerde confronteert met Schönbergs opusnummers 11 en 25. Het expressionistische opus 11 schreef Schönberg nog in het vrij-atonale idioom; van opus 25 meende Schönberg zelf dat hij een compositiemethode had gevonden die de suprematie van de Duitse muziek voor minstens een eeuw zou garanderen: de twaalftoonstechniek.

“Mijn affiniteit met Weense componisten heeft zonder twijfel te maken met mijn studietijd in de Oostenrijkse hoofdstad. De manier waarop ik Schubert beleef is niet alleen terug te voeren op de grote musicus Schubert, met zijn verbeeldingskracht, inventiviteit, met zijn grandioze visie en zijn enorme structuurgevoel. Voor mij is hij ook Schubert-de-Wener. Zijn muziek bevat een stevige portie couleur locale, met ländler en walsen.

“Bij Schönberg ligt de zaak gecompliceerder. Ik speelde mijn eerste Schönberg-stukken inderdaad in Wenen, waar ik veel respect voor hem heb gekregen. In zijn muziek hoor ik eveneens veel Weense elementen - walsen en dergelijke - die veel mensen er niet in ontdekken. Daarom is het voor mij belangrijk Schönberg te spelen. Ik wil laten horen dat Schönberg ook een andere kant heeft, niet alleen die rigide, academische, intellectuele.

“Opus 11 is nog zeer Brahmsiaans en daarom misschien wel het toegankelijkst. Met opus 25 dacht ik aanvankelijk geen affiniteit te hebben - het is van de meest dogmatische en moeilijkste stukken van Schönberg - maar na veel spelen is het een van de werken geworden die mij met meest dierbaar zijn. Het is zo'n zinnenprikkelend stuk muziek, zo knap gecomponeerd. Het is een van de sterkste stukken van Schönberg, maar niet prettig.

“Het leeuwedeel van de grote muziek is trouwens niet aangenaam. Die van Schubert ook niet. De drie late sonates zijn erg verschillend en per dag wisselt mijn voorkeur. De c-klein-sonate biedt ondanks haar diep tragische natuur, waarin Schubert de dood lijkt te voorvoelen, antwoord op de vragen die hij zich stelde. In de Sonate in A-groot hoor ik, ondanks de uiterst gecompliceerde harmonische structuur, een soort gebed. De onovertreffelijke Bes-groot-sonate ten slotte heeft alle lijden ontstegen. Het lijkt alsof Schubert hier niet meer tot de levenden behoort. Geen spoor van agonie, maar juist berusting en totale overgave.”

    • Emile Wennekes