De evolutie geeft ons geen normen

Als religie niet geschikt is voor het funderen van de moraal is dan de evolutietheorie een betere kandidaat? Dat is zeer de vraag stelt Hans Roskam. Hij vindt dat normen en waarden heel goed uit het humanisme kunnen worden afgeleid.

In zijn opinie 'De teugelloosheid van de theologie' (NRC HANDELSBLAD 4 januari) stelt Herman Philipse zich verregaand antireligieus op. Waarom? Vermoedelijk moeten we terug naar een eerdere opinie, NRC HANDELSBLAD 6 september 1994, waarin hij de Bengaalse schrijfster Taslima Nasrin citeert: “Ik droom van een wereld zonder religie, gebaseerd op de rede en respect voor menselijke waarden”.

Het lijkt aannemelijk dat deze uitspraak Philipse heeft geïnspireerd tot drie essays die samen zijn 'Atheïstisch Manifest' vormen. In het laatste opstel 'Vrijheid en Verplichting' verdedigt hij de stelling dat Darwins uit het empirisme voortgekomen evolutietheorie een beter fundament vormt dan religie.

In onze tijd van voortgaande secularisatie wordt Darwin dus nu ook als substituut voor God voorgesteld. Waarom niet? Als je het echter doet, dan moet je het wel goed doen en dan is het maar de vraag of de evolutietheorie werkelijk geschikt is voor het funderen van een moraal. Door een wel erg globale formulering van de evolutietheorie gaat Philipse ook hier (anderen als Spiering, Kuitert en Manenschijn signaleerden eerder onjuistheden waar het de theologie betreft) de fout in. Toch is de stelling interessant: kun je de evolutietheorie gebruiken ter verklaring van het vermogen tot normatief handelen te komen? En laten we er en passant religie als aanpalend domein, bij nemen. Kun je vervolgens Darwins theorie gebruiken om je normen te funderen? Is dan tenslotte de evolutietheorie een beter middel dan religie daar waar het doel- en zingeving betreft? Laten we eerst een mogelijk scenario reconstrueren om het ontstaan van normatief denken en religie te verklaren. Het is nodig terug te gaan naar de periode waarin de mens in Oost-Afrika uit de bomen klom en de savanne ging bewonen.

De mens onderscheidt zich van overige mensapen door het gegeven dat hij rechtop loopt. Deze evolutie was circa vijf miljoen jaar geleden noodzakelijk voor het leven onder savanne-omstandigheden. Savannen hadden zich door verlaging van de temperatuur, een door het toeval bepaalde klimatologische oorzaak, sterk uitgebreid ten koste van de oorspronkelijke leefomgeving: het tropische regenbos. De evolutie naar tweevoeters zette het volgende proces van oorzaak en gevolg in gang:

Eén. De motorische besturing die het rechtop lopen van onze jagende voorouders mogelijk moet maken, vereist een hoge complexiteit van het centrale zenuwstelsel, in het bijzonder de hersenen.

Twee. Onze voorpoten, nu handen, worden beschikbaar voor andere taken dan voortbeweging. Onze 'handigheid' die uitmondde in het hanteren van werktuigen, kan dus beschouwd worden als een bijprodukt van de evolutie van vier- naar tweevoeters.

Drie. De veranderde stand van het hoofd maakt de mond/keelholte geschikt voor het ontstaan van spraak als vorm van communicatie: alweer een bijprodukt van de evolutie naar tweevoeters.

Vier. Spraak op zich, en de evolutie van taal als gevolg van het vermogen te kunnen spreken, zet op zijn beurt weer een selectie in gang richting grotere complexiteit van hersenen.

Vijf. De progressieve evolutie van de hersenen leidt tot het ontstaan van bewustzijn in de vorm van zelfreflectie. (Vraag me niet om een sluitende definitie van deze begrippen, maar Jared Diamonds 'The rise and fall of the third chimpanzee' is hier zeer lezenswaardig).

Zes. Bewustzijn en zelfreflectie maken het mogelijk in termen van polariteit te denken: goed/kwaad, grijpbaar/ongrijpbaar, verleden/toekomst.

Volgens dit scenario zijn niet alleen het vermogen normatief te denken, maar ook het ontstaan van religie een bijprodukt van het complexer worden van onze hersenen.

De wijsgerig bioloog Ruse en de geneticus Ayala kwamen eerder tot deze conclusie. Binnen een sociologische context - niet alleen onze voorouders leefden in groepen maar ook de primitieve mens - is het begrijpelijk dat normbesef evolutionair gezien voordelig is: door je aan afspraken te houden, kun je conflicten met de groep vermijden.

Door in een groep te functioneren, heb je een grotere overlevingskans dan wanneer je alleen je problemen oplost. Zaken als 'indirecte wederkerigheid' - ik doe nu wat voor jullie in de verwachting dat jullie straks wat voor mij betekenen - zijn van selectief voordeel. Religie gaat allereerst over hetgeen buiten het domein van het navoelbare, begrijpelijke ligt: wat gebeurt er na de dood? Zal ik in enige vorm voortbestaan? Er is weinig fantasie voor nodig om in te zien dat moraal en religie in principe sterk met elkaar verbonden zijn: als je nu 'goed' leeft, zal het later 'goed' met je aflopen.

Religie bevordert zo het naleven van gedragsregels die de overlevingskans van, en binnen, de groep vergroten. Zo ontstaat een evolutionair verklaarbare transcedente fundamentele norm. Philipse en ik zijn het, denk ik, hierover eens. We verschillen daar waar het gaat om de evolutietheorie ook als fundering van normatief handelen te accepteren en zo de religie op non-actief te zetten. Want waar gaat het om? Kun je, door die hersenen, je een god inbeelden of een god herkennen? Dat blijft een zaak van geloof, niet van wetenschap. Ik wil mij verder niet uitlaten over de vraag of theologie als 'sapientia' een wetenschap is. Persoonlijk zou ik de sapientia aan de universiteit, net als Kuitert, Manenschijn en Spiering, niet graag willen missen.

Ook Philipse accepteert dat evolutie een blind proces is: evolutie kent geen richting en kent geen moraal (sic!). Slechts die eigenschappen die voor het voortbestaan van de soort voordelig zijn, die zorgen dat de soort maximaal, let op, niet optimaal aangepast is aan zijn omgeving, worden bevorderd. We noemen dat natuurlijke selectie. Als een parasiet een gastheer leegvreet doet het er alleen toe dat hij dit zo efficient mogelijk doet, hoeveel pijn en leed hij bij die gastheer veroorzaakt, is irrelevant. Verandert een omgeving door bijvoorbeeld een klimaatsverandering, dan verandert een soort mee (door zich aan te passen, adaptatie) of hij sterft uit. Evolutie kent dus slechts één richting: het volgen door adaptatie van veranderingen in de omgeving. Of die verandering een onderdeel is van een causaal- (oorzaak en gevolg) of van een contingent proces (toeval)

maakt niet uit. Daardoor lijkt evolutie richtingloos: is onder bepaalde omstandigheden een speklaag voordelig, dan zal via een proces van mutatie en selectie zo'n speklaag worden bevorderd. Is op enig ander moment zo'n speklaag onhandig, dan verdwijnt hij weer, of wordt vervangen door een vacht.

Evolutie is ook in een ander opzicht blind. Om dit uit te leggen, moet ik een nieuw begrip introduceren waarmee Philipse niet goed raad weet: het adaptatieve landschap.

Een soort kan zich slechts aanpassen aan de omgeving waarin hij zich bevindt, hij is niet in staat van omgeving te veranderen en zo zijn voortplantingssucces te maximaliseren. Hij is niet in staat een keuze te maken uit een aantal mogelijke omgevingen. Mensen kunnen dit (soms) wel: mensen kunnen bijvoorbeeld een kapitalistische omgeving vergelijken met een communistische, conclusies trekken en die gebruiken bij hun handelen.

Hier verlaten we dus de biologie en komen we op het terrein van de sociologie. Hier wordt 'nature' vervangen door 'nurture'. Biologische informatie wordt vervangen door culturele. Philipse stelt hier dat Darwin wordt vervangen door een eerdere evolutiebioloog: Lamarck.

Dit is onjuist: eigenschappen worden wel verworven en overgedragen, ze worden niet verankerd (wat Lamarck dacht, en nogal wat fascisten en communisten - de beruchte Russische stalinistische geneticus Lysenko! - na hem) in ons erfelijk materiaal. Het essentiële verschil tussen natuurlijke- en culturele selectie is dat de eerste principieel doelloos is en de tweede de mogelijkheid heeft een doel te kiezen.

Culturele selectie is in principe teleologisch.

Nu zijn we weer terug bij af: wat bepaalt de keuze van een doel, de richting van een normatieve ontwikkeling? God? Mogelijk, maar Philipse en vele atheïsten met hem, zullen daar niet blij mee zijn. Als je een transcedent domein niet wilt accepteren, dan moet je terug naar het hier en nu en naar de sociale context waarbinnen je bestaat. Is zo 'goed' mogelijk leven niet hetzelfde als zo harmonieus mogelijk leven, zowel met je medemensen als met, bijvoorbeeld, het milieu? Is dan een humanistische levenshouding niet de enige positie die voor het bestaan en voortbestaan van de mensheid, jezelf, je kinderen, perspectief biedt?

Tot slot nog twee opmerkingen.

De eerste over religie en de tweede over confessionele universiteiten.

Ik begon dit opstel met een opmerking van Taslima Nasrin. Is, ondanks het leed dat zij heeft doorgemaakt, die opmerking juist? Mag je godsdienst alles in de schoenen schuiven wat zes millennia is fout gegaan? Is hier godsdienst als middel niet misbruikt, net zoals communisme als middel misbruikt is? Er een kampbeul die 's avonds, na zijn gruwelijke werk, afleiding zocht in het spelen van Bach. Moet je Bach verketteren omdat zijn muziek door een onmens werd gespeeld? Moet je muziek afzweren omdat in oorlogstijd soldaten met marsmuziek worden opgehitst? Muziek weer als middel, niet als doel. Religie geeft velen richting en zin aan hun leven, zoals muziek dat anderen doet.

Philipses opmerking over de overbodigheid van confessionele universiteiten is flauw. Ook confessionele universiteiten zijn instellingen waar volgens alle 'regels der kunst' wetenschap wordt bedreven.

Het confessionele aspect is een maatschappelijk belang, geen wetenschappelijk. Ook hier verwart Philipse domeinen, kenbronnen. Hoewel de wetenschap mij na aan het hart ligt, er is meer dan wetenschap, er is meer dan het grijpbare, er is meer dan de rede.

    • Dr.J.C. Roskam