Chique bruid in bed met stinkende kok

Voorstelling: Rabenthal, van Jörg Graser, door ZEP/NES-produkties. Regie en vormgeving: Peter Pluymaekers; vertaling: Tom Kleijn; spel: Margo Dames, Peer Mascini, Ben Ramakers, Jack Vecht, Ineke Veenhoven. Gezien: 26/1 De Brakke Grond, Amsterdam. T/m 3/2 aldaar; 9 en 10/2 de Toneelschuur, Haarlem.

“God? Hij laat ons de dood zien en laat ons spartelen. Hij laat ons hem heel vroeg zien. Als we kinderen zijn. Vanaf dat moment spartelen we.” Zo filosofeert de viskok in het drama Rabenthal erop los, en hij vergelijkt het lot van de mensen met dat van de vissen die hij levend kookt: “Ik laat de vissen pas de dood zien vlak voordat ze op de borden komen, als het gewenst wordt.”

Omdat de kok de doodsangst van de vissen tot een paar minuten reduceert is hij, vindt hij zelf, vriendelijker dan God de Vader, die de mens met een permanente doodsangst heeft opgezadeld. De auteur van Rabenthal schotelt ons geen gezellige gedachten voor en toch is zijn toneelstuk meer dan amusant. Jörg Graser, een Duitse schrijver en filmer, kruidde zijn sombere parabel met heerlijk vileine humor.

In zijn enscenering voegt Peter Pluymaekers aan de toch al geestige tekst nog een paar grappen toe. Personages komen op door deuren die ze eerst zelf voor hun neus moeten neerzetten. Aan kabels neergelaten tafels en stoelen blijven steeds een paar centimeter boven de grond zweven. Scènes waarin vissen de hoofdrol spelen worden begeleid door keiharde, borrelende geluiden die in een aquarium of een zwembad opgenomen lijken te zijn. Maar meligheid krijgt geen kans, omdat de regisseur ook subtielere verrassingen in petto heeft. De soms bliksemsnelle stemmingswisselingen van de personages houden de spanning erin. Gedreven vertelt Pluymaekers Jörg Grasers bizarre verhaal, dat niet alleen over vissen gaat, maar ook over de verveling van rijke mensen.

Maximiliaan Rabenthal, de welgestelde Weense titelheld, is zo blasé dat alleen het weerzinwekkende hem nog kan bekoren. Bij wijze van huwelijkscadeau neemt hij zijn chique bruid Helena (Margo Dames) mee uit eten naar een smerig kelderrestaurant. Met het daar geserveerde maal van levend zeebanket wil hij Helena pesten. Zij pest hem terug door haar huwelijksnacht in het bed van de groezelige kok Boscik door te brengen. Voor Helena is Boscik (Ben Ramakers) een beest, een gedachte die haar bijzonder opwindt. Dat stinkende, dampende beest is wel de enige die nog in staat is tot het voelen van zoiets als ware liefde. En ware liefde past niet in het concept van de beide echtelieden. Hun perverse relatiespelletje gaat ten koste van de kok.

In het stuk komt de maatschappijkritiek, hoe onopvallend geraffineerd ook gedoseerd, harder aan dan in de voorstelling. Nederlandse theatermakers zijn nogal bang om te moraliseren. Zo ook Peter Pluymaekers: uiteindelijk richt zijn regie zich meer op de gemeenschappelijke obsessie van de drie hoofdpersonen voor de dood dan op de sociale tegenstellingen. En zo krijgen we zelfs enig medelijden met de intens gemene Rabenthal (een even griezelig als uitzinnig lachende Jack Vecht), die uit pure levensmoeheid dolgraag wil sterven maar daar helaas niet in slaagt.