Adagio lamentoso

Bij tijd en wijle word ik aangesproken door iemand die mij zegt dat hij of zij met veel plezier het boekje heeft gelezen dat ik over mijn beide dochters heb geschreven toen die nog klein waren.

Ik schreef mijn lofzang op het vaderschap lang geleden, in de zomer van 1956, toen mijn vrouw en ik met onze beide dochters de vakantie in Italië doorbrachten, in Sestri Levante, het vissersdorp annex badplaats aan de Ligurische kust, ten zuiden van Genua, waar Arthur van Schendel met zijn gezin jarenlang had gewoond. In 1947, nadat Van Schendel naar het vaderland was teruggekeerd, had ik aan zijn ziekbed gezeten, waarvan hij nooit meer zou opstaan. Met een heilige schrik had ik mij verwonderd over het keurig geslepen potlood dat, naast zijn bed, op het nachtkastje lag, het tastbare symbool van zijn schrijverschap, binnen handbereik, maar voor altijd onbereikbaar geworden. In 1956 waarde voor mij de geest van Arthur van Schendel nog in alle hoeken en gaten van Sestri Levante rond, vooral ook aan het strand, omdat ik wist dat hij zelfs daar, met eenzelfde potlood, aan de eerste versie van zijn romans had zitten schrijven.

In de zomer van 1956 kreeg ik Alissa en Adrienne, want dat is de titel van mijn vaderlijke ontboezeming, niet af. De voltooiing ervan moest worden uitgesteld tot Kerstmis van hetzelfde jaar. Pas toen was ik in staat mij enkele dagen vrij te maken van het veelsoortige en tijdrovende werk waarmee ik voor mijzelf en mijn gezin de kost moest verdienen. Ik kan zonder ophef zeggen dat ik Alissa en Adrienne uit verpozing en vooreerst voor mijn eigen plezier heb geschreven, al hoopte ik, toen het boekje eenmaal was verschenen, dat het door veel ouders zou worden gelezen, zodat de opbrengst ervan een aangename bijdrage aan ons levensonderhoud zou opleveren. Welnu, dat viel danig tegen.

Het heeft tot 1980 geduurd voordat er van Alissa en Adrienne, waaraan ik zeer gehecht was geraakt, een herdruk verscheen, namelijk in de alleszins respectabele Salamanderreeks van Uitgeverij Querido, een goedkope editie dus, waarvan de baten voor een schrijver, wanneer er niet meer dan 800 of 1000 exemplaren worden verkocht, op een krap bemeten fooi neerkomen, een geringer bedrag dan wat de grafisch ontwerper aan het omslag verdient, om van de drukker en de boekverkoper maar te zwijgen. Hoe het zij, ook nu herhaalde zich het verschijnsel dat mij bij de eerste publikatie te beurt was gevallen. Weer werd ik aangesproken door lezers, veelal lezeressen, die mij iets liefs of vleiends over het boekje zeiden, zodat ik mij beloond voelde door een beminnelijke oogopslag, een lieftallige hand op mijn mouw. Bovendien hoorde ik van echtparen dat zij hun dochter naar onze Alissa hadden vernoemd, verrassende beketenissen waarvan ik thuis verslag uitbracht. Mijn dochters die mijn onthullingen over hun ontstaan en eerste levensjaren aanvankelijk even ongemakkelijk als volstrekt hadden genegeerd lazen mijn liefdevolle aanloop tot hun beider biografie nu eindelijk ook en legden er, gevleid, een aardige voorraad van aan, om er bij feestelijke aanleidingen een exemplaar van cadeau te doen. Maar ook in de Salamanderreeks was aan het boekje slechts een kortstondig bestaan beschoren. Het onverkoopbare restant van de oplage werd opgeruimd, verramst zoals het met die angstaanjagende term uit het boekenbedrijf wordt genoemd, een voor elke schrijver smartelijke bejegening, ook al stelt het hem in staat nog gauw de laatste exemplaren van zijn pennevrucht tegen een tot bijna niets gereduceerde prijs aan te schaffen. O ja, ik vergeet te vertellen dat ik, niet zo lang geleden, een brief kreeg van een jonge vrouw die mij schreef dat haar ouders mijn boekje al in 1957 hadden gelezen, toen haar moeder zwanger was, en dat zij hadden besloten hun dochter, indien het een meisje zou zijn, Adrienne te noemen. Zo kwam ook mijn jongste dochter aan een petekind dat nauwelijks zeven of acht jaar jonger was dan zijzelf, een heuglijk feit waarvan zij bijna dertig jaar onkundig was gebleven.

Ongeveer vijf of zes jaar geleden vertelde ik mijn dochters dat ik bij mijn bezoeken aan Artis, op stille zaterdagochtenden, nu en dan oudere heren tegenkwam met naast hen een kranig voortstappende kleine jongen, kennelijk hun kleinzoon, met wie zij in een geanimeerd gesprek waren gewikkeld. Uit de enkele wooren die ik opving probeerde ik, niet zonder een steek in mijn hart, de conversaties te reconstrueren zoals ook ik ze dolgraag met een kleinzoon of kleindochter zou willen hebben. Adrienne zag haar oudere zuster aan en zei: “Zeg Alissa, hoor je dat? Pappa zou graag een kleinkind willen hebben. Kunnen wij daar niet wat aan doen?” Mijn oudste dochter keek nadenkend, alsof zij in de verte staarde. Alledrie beseften wij maar al te goed dat mijn wens onvervuld zou blijven. Mijn dochters zijn bijna onopgemerkt op een leeftijd gekomen waarop een vrouw niet lichtvaardig tot een zo ingrijpende stap over gaat.

Omstreeks diezelfde tijd ontmoette ik een jongeman die mij, na enkele inleidende woorden, bekende dat hij mijn boekje, in de editie van de Salamanderreeks, had gelezen toen zijn vrouw, op haar beurt, zwanger was. Mijn lofzang was bij hem in een zodanige goede aarde gevallen dat hij naar een boekwinkel was teruggegaan en alle resterende exemplaren, een zestal meen ik, had gekocht. Hij had het boekje uiteraard ook aan zijn vrouw laten lezen en ook zij hadden besloten hun dochter Adrienne te noemen, want dat het een meisje zou zijn, daarvan waren zij overtuigd, zoals mijn vrouw en ik daar indertijd van overtuigd waren geweest. De jongeman was bij de bevalling aanwezig en toen de dokter hem de pasgeborene toonde, zag hij, eerder dan de moeder, dat het niet een meisje maar een jongen was. Hij boog zich over zijn vrouw heen en zei: “Het is een Adriaan geworden!” Op die manier heb ik ook een petekind gekregen, een plaatsvervangende kleinzoon, zodat ik mij althans een nominale grootvader mag noemen.

Met het verhaal van mijn wonderbare naamgeving gewapend, kostte het mij weinig moeite Gemma en Wouter van Uitgeverij G.A. van Oorschot te Amsterdam over te halen na tien jaar een derde druk van Alissa en Adrienne te doen verschijnen, aangevuld met een slothoofdstuk 'Vader maar niet grootvader', dat ik als mijn literaire Adagio lamentoso beschouw. Het boekje verscheen nog voor Kerstmis 1990 en het spreekt welhaast vanzelf dat ook die oplage niet uitverkocht raakte. Over veertig jaar gerekend hebben Alissa en Adrienne, in geschrifte, en om met mijn moeder te spreken, het zout in de pap niet opgebracht. Maar wat een schat aan erkenning, waardering, intieme informatie, ontroering en vermaak, kortom aan innerlijk goud, staat daar tegenover!

    • Adriaan Morrien