'Zelfs de slechtste schutters treffen doel'; Minister bezorgd over massaal afschieten vogels bij vrieskou

De jagers willen blijven schieten. Zelfs in de huidige barre winterkou. De dierenbeschermers eisen een jachtverbod, omdat het wild en de vogels te veel zouden zijn verzwakt.

OOSTVOORNE/OTTERLO, 27 JAN. Het is Siberisch koud op de slikken van Oostvoorne als N. van Swelm er zijn auto parkeert. Bij het uitstappen ontdekt de vogelkenner in de verte een groep kleumende wulpen, die beschutting zoekt achter struikjes bies. Van Swelm schudt bedroefd het hoofd. “Deze vogels komen uit Finland”, zegt hij. “Ze zouden naar het minder kille Frankrijk kunnen vliegen. Maar daar worden ze door de wachtende jagers neergeknald. Op deze plaats zijn ze beschermd, toch hebben ze het zwaar. Ze hebben geen energie meer, omdat ze te weinig voedsel vinden. Het wad is bevroren en de wormen, slakken en schelpdieren hebben zich in de warmere zee teruggetrokken.”

Elders in Nederland weten de jagers de vogels wel te vinden. In een gisteren verstuurde brief aan de colleges van Gedeputeerde Staten toont minister Van Aartsen van natuurbeheer zich bezorgd over jagers die van het winterweer misbruik maken om massaal vogels af te schieten. Nu er nog maar een paar plassen niet zijn bevroren, is het waterwild eenvoudig te vinden. De minister wil geen algemeen jachtverbod, wel vraagt hij provinciale bestuurders om bij de jagers op terughoudenheid aan te dringen. Noord- en Zuid-Holland hebben de jagers al verzocht de jacht te staken. Sinds 1 januari mogen de provincies jachtverboden uitvaardigen.

Van Swelm, medewerker bij de Stichting ornithologisch station Voorne en adviseur van Kritisch Faunabeheer, richt zijn verrekijker op een achttal ganzen dat in ijltempo over de ijzige vlakte suist. “Die hebben wat minder last van de kou”, legt hij uit, “want ze hebben vetvoorraden aangelegd. Verder zijn ze veel beter geïsoleerd dan wij, door de vacht. Dat neemt niet weg dat het warmbloedige dieren zijn. Bij dit soort weer verliezen ze temperatuur. Met name de blote delen als poten en snavels. Daarom gaan ze na de daling meteen op hun buik liggen en stoppen ze hun snavel in de veren, om zo min mogelijk energie te verliezen.”

De ganzen moeten voor voeding van de ene boerenakker naar de andere vliegen, weet Van Swelm. “Daardoor wordt hun vetvoorraad natuurlijk flink aangesproken. De hoeveelheid eten die ze vinden is gering en de kwaliteit matig. Het is bekend dat er deze maand tal van ganzen, eenden en duizenden andere vogels omkomen door de kou: eerst de zwakkeren, dan de iets sterkere. Dat is een normaal biologisch proces, de natuur is nu eenmaal hard. Maar daar hoeft men - zoals nu gebeurt - toch niet meer iets toe te voegen in de vorm van jacht? Die jagers zitten die dieren elke ochtend achter hun vodden. Bij voorkeur in het gebied waar zij hun nest hebben, rond het Haringvliet, de Volkerak en in West-Brabant. Zelfs de slechtste schutters treffen doel nu de vermoeide vogels minder schuw zijn en dichterbij zitten.”

Op de slikken raapt Van Swelm enkele doodgevroren scholeksters op. Ze hebben deel uitgemaakt van een groep soortgenoten: zwartwitte vogels met lange snavels, die verderop vleugel aan vleugel tegen de wind schuilen. “Ze verkommeren hier een beetje”, meldt Van Swelm, “ze kunnen niet in de grond pikken, de modder is hard. Jazeker, ze lijden.” De vogelbeschermer moet lachen om de uitspraken van G. Groot Bruinderink, ecoloog van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek van het ministerie van landbouw en natuurbeheer. Die rijksambtenaar zei enige dagen geleden dat “zelfs de watervogels die zijn aangewezen op open water thans nog voldoende aan hun trekken komen”.

Groot Bruinderinks opmerking zette ook op Tessel kwaad bloed. Biologe P. de Goeij belde de krant: ze had bij haar onderzoek op het Balgzand tal van dode steltlopers en meeuwen aangetroffen, die op het dichte wad geen voedsel konden vinden. “Groot Bruinderink heeft geen verstand van vogels”, merkt Van Swelm op, “die bioloog kan zich beter met andere dieren bezig houden.” Dat doet hij óók. De ambtenaar uit Den Haag joeg de Dierenbescherming en Kritisch Faunabeheer deze week tegen zich in het harnas door te verkondigen dat “de meeste dieren in de bossen en andere natuurgebieden ondanks het winterse weer niets te klagen hebben”. Hij voegde daar aan toe dat het verzoek om een jachtverbod “zwaar overtrokken” was.

Dat het wild niets tekort komt, beaamt B. Boers, chef faunabeheer van het nationale park De Hoge Veluwe bij Otterlo. Boers zegt dat met name het grof wild als edelherten en wilde zwijnen onder de barre omstandigheden zeker niet verzwakt. “De reeën verzamelen tot december reserve-energie in de vorm van vet. In deze tijd van de winter bewegen ze zo min mogelijk.”

Rijdend in zijn oude Citroën wijst Boers het royaal aanwezige voedsel aan langs de bosweggetjes van het park: kruiden, stukjes van de lijsterbes, bladen van braamstruiken, bosbessentakken, eiken- en beukennoten, enzovoort. “Het enige probleem vormde het vocht”, vervolgt hij, “want al het water is bevroren. We zien nu dat ze, om dat vocht toch te bemachtigen, wat meer bast van de loofbomen afbijten dan anders. Konijnen doen dat ook.” Bijvoeren is niet nodig, weet Boers. “Dat doen we hier sinds 1989 al niet meer. Het is zelfs zo dat onze mensen elk jaar een aantal dieren moeten afschieten, soms de helft van het totaal. Anders eten ze hun leefgebied kaal. We streven iedere lente naar 250 edelherten, 75 reeën, 40 à 50 wilde zwijnen.”

Het neerschieten van de dieren is op de Veluwe het werk van specialisten. Boers legt uit dat de wilde zwijnen of edelherten geen moment het idee mogen hebben dat de mens de boosdoener is, dit om de bestaande goede band niet te verbreken. “Na een dodelijk schot van afstand blijft de schutter zeker twintig minuten uit de buurt van het slachtoffer. De andere dieren voelen dan iets van: 'hé, een van ons valt om, gek'.”

“Hier lummelen soms nog wel wat reeën rond”, vervolgt Boers, die de meest moeilijke paden van het park berijdt. De chef faunabeheer wil zijn bezoek graag tonen hoe goed zijn dieren eruit zien. Ineens verschijnt een drietal jonge reeën aan de bosrand. “Zijn ze niet prachtig?” vraagt Boers. “En zien ze er niet kerngezond uit?” Een kilometer verderop duikt een tweede groepje op. De ranke beestjes lijken nog mooier. Wie wil daar nou op schieten?

    • Guido de Vries