We zijn weer thuis

Het gesprek kwam op Verschrikkelijke Zinnen. Het ging niet om de vorm, om spelfouten of stelfouten, maar om hun vreselijke inhoud. Snel werd men het erover eens dat de allerverschrikkelijkste zinnen heel onschuldig lijken, maar vernietigend werken. De ommestanders moeten liefst helemaal niets merken en de aangesprokene moet zelf niet begrijpen waarom hij opeens zo treurig wordt.

Erg is: 'Wat leuk dat jij zoveel zorg aan je uiterlijk besteedt.' Erger is: 'Wat leuk dat jij nog zoveel zorg aan je uiterlijk besteedt.' Een dubbele dosis valsigheid samengebald in dat ene 'nog', nauwelijks een woord, meer een knor. Maar dit genre is al tezeer vertrouwd, daar kan men zich tijdig tegen wapenen ('Wat goed dat jij dat nog ziet').

Heeft 'nog' een tegenhanger in 'al'?

Is de zin 'Wat moedig van je dat je al op jezelf gaat wonen' wel kwetsend genoeg? Nieuwe kamerbewoners vinden vast van wel. Maar 'al' houdt 'jong' in en dat wordt minder, en 'nog' houdt 'oud' in en dat wordt erger.

'De ergste zinnen', opperde K., die in het dagelijks leven hoofd is van de onderzoeksafdeling Sociale Kwaadaardigheid, de allerergste zinnen beginnen met 'Ik wil me nergens mee bemoeien, maar. - En wat komt er dan?

Meestal zoiets als, 'Je laat je door Claire wel erg op je kop zitten...' of 'Een bruine blazer met een spijkerbroek, dat kan gewoonweg niet'. De vervolgzin is openlijk vervelend om te horen, maar de inleiding dwingt tot een soort dankbaarheid: het werd je niet uit eigenbelang gezegd maar juist voor je eigen bestwil.

Voor je 'eigen bestwil'. Die woorden maakten veel los in het gezelschap. Krenkingen en vernederingen uit de kinderjaren vlogen over de tafel, de één had het nog moeilijker gehad dan de ander, maar de ander was achteraf nóg gevoeliger geweest. Maar die 'bestwil' heeft zijn uitwerking nu wel verloren en is onherroepelijk gedateerd.

Nog een verouderde verschrikkelijke zin kwam ter tafel: 'Nou nou, wat laat jij je kennen'. Even gruwde het gezelschap bij de herinnering aan een allereigenste emotie die ooit eens zo allerergst gekleineerd was.

Is het tijdperk van de verschrikkelijke zin eigenlijk niet al voorbij, is de basisformule van gehuichelde vriendelijkheid en verborgen kwetsing niet achterhaald in deze tijd van openhartigheid? Heel modern en toch verschrikkelijk, kan dat wel?

Jazeker, ik weet er een: 'Wat vind je er zelf van?' Iemand heeft je net zijn laatste zelfgemaakte prentje, stukje, dansje, toetje, boeketje laten zien en staart je verwachtingsvol aan, zegt nog net geen 'nou?' en dan komt luchtig als een mokerslag: 'Wat vind je er zelf van?' Een uitnodiging tot zelfophanging, je zou er een stuk touw bij kunnen aanreiken.

Dat verschrikkelijke zinnetje komt natuurlijk van de psychotherapeut, want die mag van zijn vak zijn eigen mening niet zeggen. Maar in het gewone leven betekent het dat iemand je die eigen mening maar liever wil besparen.

Weet je wat ik vreselijk vind: 'Nee hoor, daar krijgen we nooit klachten over'. Trillend van woede sta je bij de bakker met een brood waarin een restant dode rat. 'Nee hoor, nooit geen klachten.' Andere mensen eten zo'n stukje rat er gewoon bij op. Andere mensen proeven dat niet eens. Bij andere mensen gaat zo'n rat niet in hun broodje zitten sterven. Andere mensen komen daar niet over klagen.

We naderden nu de hoofdgroep gruwelzinnen van de gedaante: 'Dat kan iedereen wel zeggen'. (Iemand strompelt hevig bloedend een winkel binnen, 'mag ik even bellen, ik heb een aanrijding gehad' - Ja ja, dat kan iedereen wel zeggen).

Wat ik onverdragelijk vindt, riep M.: 'Gewoon achter aansluiten, net als iedereen'.

- Nee, dáár moet je tegen kunnen.

- Daar zal je het dan wel naar gemaakt hebben.

- Hij vráágt er ook om.

Even viel er een gespannen stilte. De stemming was eruit. Met verschrikkelijke zinnen valt niet te spotten en de sfeer werd onverwacht kribbig. Bedachtzaam nam B.K. het woord. De allerergste zin, zei hij, de wanzin in oervorm, luidt: 'Wat heb je nou gedaan!?'

Een collega strompelt na de kerstvakantie op krukken het kantoor binnen en iemand begroet hem: 'Wat heb je nou gedaan?'

Iedereen viel stil. Dit was, er was geen twijfel mogelijk, de allerverschrikkelijkste zin, een ontologisch monstrum. Want, zei B., de medemens wordt hier aansprakelijk gesteld, als dader voorgesteld, voor iets dat hem is overkomen, dat haar is aangedaan en waar ze niets aan doen konden.

Die zin betekent dus in het geniep: dan had je maar beter moeten uitkijken.

Erger nog, die zin is eigenlijk triomfantelijk: dat was mij niet overkomen, sukkel die je bent.

Nee, het is nóg erger: die zin is leedvermaak, 'net goed', zonder dat de spreker daar op aan te spreken is.

Nog dieper ging de zinsontleding: er zit ook een geruststelling in, want als alleen stuntels hun benen breken, dan kunnen wij als we maar heel goed oppassen nog aan het onheil ontkomen.

'Het was vast wel goed bedoeld.' En dat is de verschrikkelijkste tegenzin.

    • A. de Swaan