Verkild in het koningschap

SARAH BRADFORD: Elizabeth. A biography of Her Majesty the Queen

564 blz., geïll., Heinemann 1996, ƒ 63,-

Voordat de socialistische premier Harold Wilson in oktober 1964 de handen van zijn vorstin kuste, had koningin Elizabeth alleen met premiers uit de Britse aristocratie of daaromtrent te maken gehad. Haar vier eerdere eerste ministers - Churchill, Eden, Macmillan en Douglas-Home - hadden ongeveer dezelfde achtergrond en gemeenschappelijke belangen die zij begreep en min of meer met hen deelde. Harold Wilson was voor haar een geheel nieuwe ervaring, hij kwam als het ware van een andere sociale planeet en vertegenwoordigde een deel van de bevolking waarmee zij nooit contact had gehad.

Harold Wilson straalde een huiselijke gezelligheid uit die de koningin wel aangenaam vond, ook al had hij de eigenaardigheid voortdurend een pijp in zijn mond te hebben, die hij, naarmate hun onderlinge vertrouwdheid groeide, ook tijdens hun wekelijkse ambtsbesprekingen op het paleis opstak. Volgens Sarah Bradford, de auteur van de deze week verschenen biografie van het Britse staatshoofd, bezit Elizabeth een gevoel voor humor dat het meest op de persoon van Wilson was toegesneden. Ofschoon Macmillan en vooral de adellijke Home, die uit het Hogerhuis kwam en zijn erfelijke titel voor het premierschap moest opgeven, tot haar categorie ons-soort-mensen behoorden, verkeerde zij met Wilsons directe (en veel oudere) voorgangers nooit op voet van grote vertrouwdheid, zoals met hem. Bij zijn aantreden in '64 nam de Labour-leider daar een onvormelijk voorschot op, dat het kil-statige Buckingham Palace even een ongedwongen gezicht gaf, maar 'het paleis' - de hofdignitarissen in de directe omgeving van de koningin - tot achter de oren shockeerde. Wilson arriveerde op de dag van zijn beëdiging met zijn hele familie op het paleis. Niet alleen met zijn vrouw - de dichteres Mary - en zijn kinderen, maar ook met zijn oude vader en moeder en zijn secretaresse, Marcia Falkender, met wie hij al zo lang samenwerkte dat zij vergroeid was met de familie. Die gebeurtenis was een flinke inbreuk op de traditie, maar de koningin maakte geen bezwaar en leek het zelfs knus te vinden.

Dossierkennis

Marcia Falkender gaf in haar memoires (Inside Number 10, London, 1972) een niet erg vleiende sfeerbeschrijving van die curieuze historische bijeenkomst op het paleis: “Er was een aantal anonieme hoffiguren aanwezig. In mijn ogen zagen die er allemaal eender uit. Voor zover ik mij herinner, werd er alleen over paarden gesproken. Misschien dacht men dat iedereen in paarden geïnteresseerd was, hoewel mijn paardenkennis minimaal was en die van de familie Wilson nog minder. Het trof mij op dat moment als een ironisch begin van de technologische revolutie die het kabinet-Wilson zojuist had uitgedacht.”

De patriciër Macmillan was een soort vaderfiguur voor de nog jonge koningin Elizabeth, wiens optreden tegenover haar soms schoolmeesterachtige trekjes vertoonde, maar dat verhinderde niet dat ze wederzijds groot genoegen beleefden aan de onderlinge samenwerking. Macmillan stelde de vorstin graag zijn staatkundige ervaring ter beschikking en Elizabeth onderwierp zich graag aan de wereldpolitieke inzichten die de oude premier haar bijbracht.

Macmillan, aldus Bradford, benaderde Elizabeth met dezelfde formele hoffelijkheid als Disraeli tegenover koningin Victoria in acht placht te nemen. Zijn stijl werd gekenmerkt door een even disraeliaanse zwierigheid als een bloemrijke manier van spreken en schrijven. Elizabeth toonde al vroeg een solide dossierkennis, die op al haar premiers indruk maakte. Macmillan wakkerde Elizabeths intellectuele gretigheid aan door buiten hun wekelijkse ambtsbespreking over alles en nog wat met haar te corresponderen. Hij schreef haar lange brieven waarmee hij haar kennis van inwendige politieke gebeurtenissen en ontwikkelingen voedde, in het bijzonder als hij in het buitenland was en verslag deed van ontmoetingen met regeringsleiders en andere internationale figuren. Elizabeth schreef op alles terug, in wat Macmillan later noemde een informele stijl en 'zeer welingelicht'. Ze schreef de premier eigenhandig, en adresseerde de brieven zelf, hoewel ze genoeg personeel had om dat voor haar te doen.

Macmillan had volgens Sarah Bradford een neiging zijn betrekkingen met Elizabeth mooier voor te stellen dan zij waren; dat kwam, zo schrijft ze, doordat hij graag goede sier maakte met de verhalen waarmee hij van de koninklijke buitenverblijven Windsor of Sandringham terugkeerde. In een daarvan werd de jonge prinses Margaret opgevoerd, die een keer de werkkamer van Elizabeth binnenstormde en, in aanwezigheid van de Britse premier (die zij kennelijk niet had herkend), haar koninklijke zuster in woede zou hebben toegeschreeuwd: “Niemand zou jou willen spreken als jij geen koningin was”.

Uit Alistair Horne's biografie van Macmillan (1989) heeft Sarah Bradford het verhaal opgediept dat Macmillan vertelde na een in zijn voordeel beslechte schermutseling met president Kennedy over de financiering van de Opper Volta-dam in het noorden van Ghana. Macmillan, die evenals Kennedy bevreesd was dat Ghana's president Nkrumah langzaamaan in het communistische kamp terecht zou komen, bracht koningin Elizabeth in de strijd om Ghana in het Britse Gemenebest te houden. Nkrumah bewonderde koningin Elizabeth en Elizabeth had een zwak voor Nkrumah. Haar staatsbezoek aan Ghana werd, ondanks de risico's die eraan verbonden waren (mogelijke aanslag op Nkrumah, waardoor ook Elizabeths veiligheid gevaar kon lopen) een groot succes, maar Macmillan besefte dat de Britse koningin in het licht van de troebelen die Ghana teisterden, langs de rand van de afgrond was gegaan. Om Kennedy's gemoed zacht te maken (in de hoop dat die met dollars voor de Opper-Volta dam over de brug zou komen) mat Macmillan de risico's die Engeland gelopen had breed uit. “Ik heb mijn Koningin geriskeerd, nu moeten jullie je geld riskeren.” De zichtbaar geschrokken Kennedy committeerde zich onmiddellijk, en Macmillan stak zijn koninklijke troefkaart vergenoegd in zijn zak.

Ideologisch neutraal

Sarah Bradford is een vaardig historica, voor wie de naoorlogse politieke geschiedenis van Engeland geen geheimen kent. Ze geeft een saillante en zakelijke schets van de rol van de Britse koningin in het wetgevingsproces, die steunt op een relevante literatuurkeuze en op achtergrondgesprekken met oud-ministers en insiders uit de hofhouding of functionarissen die daartoe hebben behoord. Uit die schets komt Elizabeth te voorschijn als een vorstin die van haar werk een vak heeft gemaakt, dat ze tot in haar vingertoppen beheerst en waarvan ze houdt. Met sommige premiers had ze zulke goede betrekkingen dat ze soms geruime tijd niet aan hun aftreden kon wennen, maar desondanks heeft niemand haar ooit op een eigen politieke voorkeur kunnen betrappen. Tegenover haar conservatieve 'soortgenoten' heeft ze nooit conservatieve, tegenover haar favoriete premier Harold Wilson nooit socialistische sympathieën getoond. “De koningin is ideologisch neutraal”, aldus een voormalig bewindsman in het boek, “voor haar zijn alle premiers gelijk”.

Afkeer

Edward Heath is ongetwijfeld de minst gezellige premier met wie Elizabeth geregeerd heeft, Margaret Thatcher vermoedelijk de haar minst sympathieke. Aan hoffelijkheid heeft het Heath nooit ontbroken, maar 'Ted' Heath had (en heeft) geen talent voor politieke prietpraat en bovendien 'geen tijd voor vrouwen'. Vrouwen zijn in zijn leven verdrongen door zeiljachten en symfonie-orkesten, die hij in zijn vrije tijd dirigeert. Buiten de politiek hadden Heath en Elizabeth niets gemeen. Heath had dezelfde sociale achtergrond als Harold Wilson, maar anders dan Wilson was hij introvert, geremd en formeel, van nature niet in staat Elizabeth met ontspannen grapjes op haar gemak te stellen of met meeslepende betogen te imponeren.

Bradford schrijft gedecideerd dat Thatchers radicale denkbeelden over een conservatieve revolutie Elizabeth ten diepste tegenstonden. De eerste jaren had de IJzeren Dame nog wel krediet gehad op Buckingham Palace. Ze had de koningin ontzag ingeboezemd met de strijdbaarheid waarmee zij de industriële achterstand van Groot-Brittannië te lijf was gegaan en vooral met het elan waarmee zij het geloof in een 'gezonde economie' had gepredikt. Maar gaandeweg had de koningin steeds meer moeite gekregen met de structurele veranderingen waarop Thatcher aanstuurde en die, naar Elizabeth onderkende, voortkwamen uit een fundamentele afkeer van het Britse establishment. Koningin Elizabeth liet haar gevoelens nooit blijken, maar Bradford heeft aan gesprekken met haar omgeving de zekerheid ontleend dat zij Thatcher “in het diepst van haar hart niet mocht”.

Het lag niet aan Elizabeth dat de weekends die Margaret Thatcher in haar ambtsperiode doorbracht op het Schotse buitenverblijf van de koningin Balmoral, geen succes werden. Nergens bleek de ongemakkelijkheid in de omgang groter dan daar, vooral als het gezelschap ging wandelen. De countrywoman Elizabeth was een geoefend wandelaarster, de urban lady Margaret Thatcher niet. Maar erger was dat Thatcher geen wandelschoenen had en zich gedwongen zag een paar hush puppies van een 'lady-in-waiting' te lenen. Die pasten haar pas nadat ze enige sokken over elkaar had aangetrokken.

Tegengestelde politieke inzichten hadden de beide hoogste staatkundige ambtsdragers ook over de betekenis van het Britse Gemenebest. Elizabeth was aan dat Gemenebest verknocht - zonder te zien dat die vereniging van voormalige Britse koloniën langzaam verkruimelde en beheerst raakte door toenemende anti-Britse gevoelens. Thatcher was er in het geheel niet aan verknocht - ze gaf er in wezen geen cent voor en stak haar onverschilligheid dienaangaande ook niet onder stoelen of banken.

Uit Sarah Bradfords heldere weergave van de wetsgeschiedenis van de wettelijke uitkeringen aan de Britse koningin en de leden van het koninklijk huis blijkt dat de socialistische premier Wilson (en met hem de 'republikeinse' Labour-party) uiteindelijk een hoge prijs betaalde voor zijn favorietenrol op het paleis. Bradford laat in het midden of Elizabeth (dan wel haar echtgenoot, prins Philip, die daartoe het voortouw nam) gebruik maakte van Wilsons sympathie voor haar, maar zeker is dat Wilson zich het vuur uit de schoenen liep om de financiële uitputting van de koninklijke huishouding in zijn derde ambtstermijn met forse injecties tegen te gaan.

De wettelijke uitkeringen waren al meer dan twintig jaar niet aan de inflatie en de stijging van de kosten van levensonderhoud aangepast, waardoor de koningin, volgens de koninklijke thesaurie, aanzienlijk op haar particuliere vermogen had ingeteerd. Op de hem eigen ondiplomatieke wijze had prins Philip de politiek daarvoor verantwoordelijk gesteld en in een gesprek op de Amerikaanse televisie met een zielig gezicht aangekondigd dat zijn vrouw en hij hun zeiljacht van de hand zouden moeten doen om de kosten van hun huishouding te kunnen dekken en zelfs binnenkort kleiner zouden moeten gaan wonen om het hoofd boven water te houden. De televisiekijkers hoorden daar een ondertoon van bittere humor in, maar volgens Bradford was het Philip bittere ernst geweest.

Harold Wilson liet niets na om het gat te dichten en bereidde een aanzienlijke verhoging van de Civil List voor, die niet lang daarna ook door het Lagerhuis werd aangenomen. Volgens minder gedienstige collega-ministers als Richard Crossman en Barbara Castle - maar die stonden niet in zijn schoenen - was Wilson door zijn sympathie verblind geraakt en had hij zich laten gebruiken om een bodemloze put te dempen.

Moederrol

Sarah Bradford heeft een volwassen biografie geschreven, waarvan de enige tekortkoming is dat ze nieuwe of oorspronkelijke gezichtspunten over de toekomst van de Britse monarchie mist. De monarchie moet blijven bestaan, omdat er volgens haar geen staatkundig alternatief is waarvan de democratie werkelijk beter wordt. De monarchie verzekert, aldus Bradford, het veiligste evenwicht in de democratie en als prins Charles, die volgens Bradford de monarchie door zijn seksuele strapatsen geweldige schade heeft toegebracht, zich de komende jaren koest houdt, houdt de monarchie het nog wel een generatie uit.

Des te harder zijn de noten die zij kraakt over de verantwoordelijkheid van Elizabeth voor de ontsporingen van haar oudste zoon. Zonder die laatste in bescherming te nemen, stelt zij in een belangwekkend hoofdstuk de ervaren professionaliteit van het Britse staatshoofd tegenover haar falende en onzekere moederschap. In die laatste rol heeft Elizabeth zich volgens Bradford doen kennen als een traditionele huisvrouw, die in zaken van opvoeding een tweede viool speelde en niets deed om de mentale ontwrichting van de prins van Wales in zijn jongensjaren te stuiten. Zij liet de opvoeding van Charles in feite over aan haar man, die het tegendeel van een groot pedagoog was, en ze greep nooit in als vader Philip de toekomstige koning van Engeland met de karwats bewerkte wanneer deze het meest behoefte had aan een begrijpende hand op zijn schouder.

    • Harry van Wijnen