Studie van pa's opties

Aandelen leveren, gerekend over een periode van jaren, altijd meer op dan obligaties, spaarrekeningen, saldo's in vreemde valuta en onroerend goed, zegt de beurswereld. Maar welke aandelen worden dan bedoeld? Allemaal? Ook Fokker en DAF? En wanneer moet je kopen en verkopen? Dat weten veel beleggingsadviseurs niet zo precies. Ze geven liever de grote lijnen aan, het brede kader.

Heel vaak leidt een beperkte keus, dicht bij huis, tot goede resultaten. Zo doen veel 'Hollandse' aandelen het op dit moment goed. Door de keus verder te beperken tot fondsen waar meerjarige of lange opties op worden verhandeld kan ook een niet al te actieve belegger zijn effectenbezit flexibeler beheren dan zonder opties en de opbrengsten mogelijk wat opkrikken.

Hij kan ook voor een paar jaar renteloos 'lenen' met zijn stukken als onderpand. Bijvoorbeeld om een auto te financieren, de hypotheeklasten te verlichten of de studie van kinderen te betalen. Is dat een effectenkrediet? Nee, want daar betaal je wèl (aftrekbare) rente over.

Gratis lenen gaat zo. Neem het aandeel Koninklijke Olie. Dat kost, blijkt uit het koersoverzicht van afgelopen woensdag, circa 225 gulden. Op 9 januari jongstleden was de hoogste koers in de voorgaande twaalf maanden 232,50, zo staat in het uitgebreide wekelijkse overzicht in de zaterdagkrant. Olie zit dus dicht tegen een top. Op 100 aandelen kan je 1 call-optie schrijven of verlenen. Dat levert de schrijver geld op. Daar staat tegenover dat hij kan worden verplicht zijn bezit te verkopen op de uitoefenprijs van de optie.

Welke plussen en minnen kleven er aan deze combinatie? Je schrijft 1 optie met uitoefenprijs 200 gulden die in oktober 1999 afloopt en ontvangt 100 maal 34,50 is 3450 gulden. Die prijs komt uit het overzicht meerjarige opties in de woensdagkrant. De eigenaar van 1.000 'Olies' ontvangt dus 34.500 gulden als hij opties op alle 1000 verleent. Tegenover die belastingvrije vergoeding staat de plicht aandelen te verkopen op 200 gulden wanneer de houder van zo'n zelfde optie daar om vraagt. In werkelijkheid verkoopt de verlener op 234,50 (200 + 34,50), zonder rekening te houden met transactiekosten. Dat is een nadeel wanneer Koninklijke op de beurs veel meer doet dan 234,50.

Er staan drie voordelen tegenover dit mogelijk gemis aan koerswinst. De onbelaste koerswinst tussen nu (225) en straks (234,50) is 9,50 gulden. De eigenaar houdt recht op dividend, zolang hij de stukken bezit, en leent bovendien renteloos van zijn tegenpartij die de call-optie oktober 1999 200 bezit en daarvoor 34,50 betaalde. Een vierde voordeel komt in beeld als Olie flink daalt, zeg 30 gulden, en de optie nog circa 21 gulden kost. Dan kan de schrijver (vrijwillig) zijn opties met een winst van 1350 per stuk (3450 - 2100) terug kopen. In feite 'lost' hij zo de 'lening' tegen een lager bedrag af.

Kan je altijd zo makkelijk lenen? Nee. Een lener springt er het best uit wanneer zijn aandeel 'hoog' staat en de markt (beleggers en handelaren samen) nog hogere koersen verwachten. In die stemming is de markt bereid meer voor een optie te betalen dan anders en daarvan profiteert een schrijver. Na die hausse volgt er wellicht eens een reactie, kan een schrijver met winst aflossen, en hoeft hij geen aandelen te verkopen.

Zijn andere call-opties even geschikt? Ja. Neem de oktober 2000 uitoefenprijs 230 gulden. Die levert minder op (2190 gulden per 100 aandelen), loopt een jaar langer en geeft 30 gulden meer koerswinst per aandeel dan de 1999, wanneer de schrijver verplicht wordt te verkopen. En de oktober 1998 uitoefenprijs 190 levert 3900 gulden, loopt een jaar korter en geeft maar 4 gulden koerswinst bij verplichte verkoop.

Een Olie-bezitter, die tijdelijk goedkoop wil lenen op een bijzondere manier, kan dus kiezen uit leningsbedrag, looptijd en risico van verplichte verkoop. Dat risico is op zichzelf beperkt, wanneer de stukken met winst kunnen worden verkocht.

Ook bezitters van een flink pakket aandelen ABN Amro, Aegon, Ahold, Akzo, DSM, Elsevier, ING, KLM, KNP, Philips of Unilever kunnen de leencapaciteit van hun bezit eens (laten) bestuderen. Maar lang niet alle fondsen en opties leveren voldoende op in relatie tot het risico van verplichte verkoop en koerswinst. De Philips call oktober 1999 uitoefenprijs 60 gulden (aandeel 65,60) wèl. Die levert 1500 gulden per optie op 100 aandelen op. De eventuele koerswinst komt op 9,40; 60 + 15 - 65,60. Dat is een mooi rendement en omgerekend veel hoger dan de Olie call oktober 1999 geeft. Kennelijk verwachten beleggers meer van Philips dan van Olie.

Een effectenportefeuille die zich beperkt tot vier of vijf van de genoemde fondsen met een hoge omzet in opties biedt een belegger veel speelruimte. Die conclusie mag je trekken uit deze rekeningoefening met lange opties.