Staat en soldaat raken verstrengeld in Rusland

Terwijl de oorlog in Tsjetsjenïe escaleert, stemde de Raad van Europa deze week in met een lidmaatschap voor Rusland.

Maar, betoogt Hubert Smeets, Tsjetsjenië is niet louter een lokaal conflict. Het laat zien dat zich in Rusland een militarisering van de macht voltrekt.

Het nieuwe was er een beetje af, daar in Pervomajskoje, ver weg in Dagestan. Enkele honderden Tsjetsjeense commando's die eerst een ziekenhuis in gijzeling namen en vervolgens, toen ze zich door de Russen belazerd voelden, een heel dorp wisten te bezetten: dat hadden we het afgelopen jaar al vaker gezien.

Toen het voorbij leek, nadat het dorpje Pervomajskoje effectief met Stalin-orgels in puin was geschoten, was het parool in Straatsburg dus: ingerukt mars, welkom in de Raad van Europa, we zien wel wat ervan terecht komt.

Er is iets voor te zeggen. Want waarom zou je de Russen beledigen als je kunt vermoeden dat zo'n daad eerst en vooral de morele masochisten rond Zjirinovski in de kaart speelt? Waarom zou je ze niet aan tafel noden in de wetenschap dat het hooguit een paar centen kost en voor het overige weinig om het lijf heeft. Die oorlog in de Kaukasus is, met deze wijdse blik, pijnlijk maar marginaal.

Maar is dat wel vol te houden? Nee. De bandeloze guerrilla die zich nu in en rond Tsjetsjenië voltrekt, is wel degelijk relevant. Ook als we de schuldvraag en het recht even buiten beschouwing laten - en dat is aantrekkelijk, omdat de strijdende partijen geen van allen nopen tot het aantrekken van de wandelschoenen en het beschilderen van de spandoeken voor demonstraties bij deze of gene ambassade - dient de conclusie te zijn dat Tsjetsjenië ons in Europa raakt. De oorlog in Tsjetsjenië is om verschillende redenen geen louter “binnenlandse kwestie”.

Ten eerste omdat er een element van historische wraak schuilt in het geweld. Al eeuwen zijn de Russen nu bezig met de pacificatie van de Kaukasus en met name van de Tsjetsjenen. Het is ze nooit gelukt. Achteraf beschouwd kan nu zelfs cynisch geconstateerd worden dat ook Jozef Stalin, die de Tsjetsjenen in 1944 massaal liet deporteren, na zijn dood geen definitief antwoord gegeven bleek te hebben. Daar is een verklaring voor. Het gaat in Tsjetsjenië namelijk niet om onafhankelijkheid in ideologische zin, maar om macht in praktische zin. Volgens de Russische historicus Ivan Rosljakov zijn Sint-Petersburg respectievelijk Moskou daarom nimmer in staat geweest de “oorlogs-democratische traditie” van de clan-structuur te ontmantelen omdat Rusland zelf zo langzaam en incompleet zijn horigheid heeft weten af te leggen. De kolonisatie van de Kaukasus is zodoende in een “vroeg-feodaal stadium” blijven hangen, aldus Rosljakov. Toen er in het gebied ook nog olie bleek te zitten, ging dat eens te meer klemmen.

Daarop voortbordurend zou je kunnen zeggen: een maatschappij die bezig is zichzelf moeizaam te bevrijden kan het zich niet veroorloven ook gekoloniseerde onderdanen te 'emanciperen'. Nu dat toch met geweld wordt geprobeerd, blijkt logischerwijs dat het herstel van de openbare orde gecompliceerder is dan Moskou had gehoopt. In het sociale vacuüm dat Tsjetsjenië heet, moest het geweld wel leiden tot een situatie waarin de macht uit de loop van elk beschikbaar geweer komt, ongeacht wie met welke ideologie de trekker mag overhalen. Nu Rusland daarbij expliciet betrokken is, kunnen we onze ogen niet meer sluiten. Rusland mag dan emotioneel voor velen 'Verwegistan' heten, geopolitiek kan dat niet worden volgehouden. Voor Algerije gold dat een 35 jaar geleden tenslotte ook niet.

De tweede reden om de oorlog in Tsjetsjenië een internationaal vraagstuk te noemen, is nog belangrijker. Als Von Clausewitz nog altijd gelijk heeft met zijn stelling dat oorlog een voorzetting is van de politiek, zij het met andere middelen, dan zou het omgekeerde ook gezegd kunnen worden: namelijk dat in gemilitariseerde verhoudingen de politiek een vorm van oorlog wordt.

Dat nu is in Moskou aan de gang. Wat sommigen ruim een jaar geleden voorspelden - de aanval op de separatisten in Grozny zou wel eens een dominosteen in de Kaukasus kunnen blijken - begint zich nu niet ter plaatse te manifesteren, maar in het Kremlin. De oorlog als middel voor het slagveld slaat over naar het politieke domein.

Zeker, het is een beetje een vraag naar de kip en het ei: wat was er eerder, het separatisme van de Tsjetsjenen of de sociale crisis in Rusland? Maar onmiskenbaar is dat er in het centrum van de macht het afgelopen jaar meer is gebeurd dan in de drie jaar tussen de ontmanteling van de Sovjet-Unie en de verwoesting van Grozny. Nagenoeg iedereen die in 1991 (de mislukte staatsgreep tegen Gorbatsjov) en 1993 (de geslaagde bestorming van het oppositionele parlement) aan Jeltsins zijde stond, is het afgelopen half jaar uit het Kremlin verdwenen.

Het zijn teveel namen om op te noemen. Simpeler is het op te sommen wie er, met de president en diens premier Tsjernomyrdin, mochten blijven: minister Gratsjov van defensie, generaal Barsoekov (begonnen als chef van de bewakingsdienst der regering, thans minister van de binnenlandse strijdkrachten) en generaal Korzjakov (ex-KGB) van de pretoriaanse Kremlingarde.

Een liefhebber van sick jokes zou er wel raad mee weten en zeggen: 'Ach, dat zijn allemaal bruiloft-generaals, types die alleen hun uniform met insignes aandoen om tegen betaling een huwelijk op te luisteren, zoals in het tsaristische Rusland in de betere kringen gebruik was. Want van recht en orde is nog allerminst sprake, integendeel, moord en doodslag zijn aan de orde van de dag, ook in Moskou'. Maar, ongeacht de treurige kwaliteit van deze militairen als commandanten te velde, deze trend wijst toch ook op een onderhuidse militarisering van de politieke macht. Dat proces manifesteert zich niet op Bonapartistische wijze. Rusland kent nu eenmaal geen traditie van militaire staatsgrepen om tijdelijk orde op zaken te stellen. Maar de trend heeft niettemin wel politieke betekenis. Het idee dat een vuist op gezette tijden onontbeerlijk is, heeft in Rusland wèl een lange geschiedenis.

Dat idee komt voort uit de specifieke aard van het land zelf. Rusland is namelijk geen klassieke natiestaat maar vooral een geografische ruimte, in de woorden van Katherina de Grote zelfs een “universum”. Sinds de Tataarse overheersing speelt het militaire staatsapparaat een cruciale rol in het bijeenhouden van deze ruimte. Staat en soldaat horen bij elkaar. Wie dit een overdreven generalisatie vindt, zou eens een kijkje moeten nemen in de oudere steden van Rusland: ze hebben bijna allemaal het architectonische karakter van een garnizoen aan het front, net als het Kremlin zelf.

De vraag rijst nu of deze visie op 'de vuist als deus-ex-machina' anno 1996 nog wel werkt. Tot nu toe wijst weinig in die richting. In Tsjetsjenië heeft de vuist vooralsnog alleen een mengeling van commerciële en gewelddadige anarchie bevorderd, waarin Russen en Tsjetsjenen gelijkelijk en even wanorderlijk meedelen. In Moskou heeft ze de nationaal-communistische oppositie tegen het uit 1991 daterende project-Jeltsin in de kaart gespeeld. En daarbuiten ging en gaat iedereen hoe dan ook zijn eigen gang. De vuist heeft het verlangen naar autarkie op macro-, meso- en micro-niveau gevoed.

In deze omgeving moeten over een half jaar presidentsverkiezingen plaatsvinden. Als die inderdaad gehouden worden, al dan niet op meer of minder democratische wijze, dan zullen we ons voor een dilemma geplaatst zien. Nee, niet voor het dilemma 'democratie óf orde' (lees: moraal of macht) en ook niet voor het dilemma 'interventie óf afzijdigheid'. Maar wel voor het dilemma of er na de koude oorlog eindelijk plaats zal voor een realistischer benadering.

Door het hervormingsproces in het verleden zo te ideologiseren zijn er immers vele deuren gesloten. Het uitgangspunt dat de Sovjet-Unie een 'evil empire' was, heeft ons bijvoorbeeld dermate intensief beziggehouden dat we de vraag niet meer onder ogen wilden zien of, en in welke mate, dit mogelijk 'duivelse rijk' zijn wortels ook had in het oude tsaristische rijk. Toen de Sovjet-Unie uit elkaar viel, moesten we vervolgens wel verblind blijven door de hoop dat het werkelijke hervormingsproces nog slechts een kwestie van tijd en goede wil was. In Rusland zelf had een kleine groep daar belang bij, intellectueel en/of materieel. Dat heeft het openen der ogen enige tijd vertraagd. De meerderheid dacht er echter 't hare van. De verkiezingsuitslagen van de afgelopen twee jaar hebben dat afdoende bewezen.

De discussie in de Raad van Europa afgelopen week heeft desondanks niet de indruk gewekt dat iedereen inmiddels klaarwakker is. Het idee dat de leeuwentemmer zich in Straatsburg bevindt, is charmant in zijn eenvoud doch ook naïef. Het heeft ook veel weg van een spiegelbeeld van de moeizame wijze waarop de eerste fellow travellers zich in de jaren twintig en dertig verhielden tot de Sovjet-Unie na Lenin.

Alleen als het Russische lidmaatschap van de Raad van Europa het begin is van een nieuwe Rusland-politiek is er nog niets verloren. Dat zou een Rusland-politiek moeten zijn die uitgaat van de erkenning dat Moskou het politieke centrum is van een rijk dat als een gewond dier rondtrekt, dus onvoorspelbaar kan zijn, en daarom als eigenstandige macht serieus moet worden genomen. Een Rusland-politiek die wellicht weer een beetje zal doen denken aan vroeger tijden, maar in ieder geval geen knollen voor citroenen probeert te verkopen.