Recht op een fatsoenlijke dood

Geboorte en dood zijn het begin en het einde van het leven; zuiver biologische verschijnselen waarmee ieder mens te maken heeft. Over zijn geboorte heeft niemand iets te vertellen en met betrekking tot de dood is die mogelijkheid niet veel groter. De geboorte is het gevolg van een al dan niet weloverwogen beslissing van de ouders. Het leven wordt iemand door anderen 'geschonken' en is vanaf dat ogenblik het onvervreemdbaar eigendom van een individu dat zelf de verantwoordelijkheid daarvoor zal moeten (leren) dragen, tenzij geestelijke en/of lichamelijke handicaps dit onmogelijk maken.

Mensen die een kind willen verwekken hoeven geen psychologishe test te ondergaan om vast te stellen of zij wel geschikt zijn voor het ouderschap. Evenmin schrijft de overheid voor dat kinderen verwekt moeten worden. Wel staan steeds meer middelen ter beschikking wanneer het met de conceptie niet wil lukken; daarin is men bepaald niet kinderachtig.

De overheid heeft dus ten aanzien van de geboorte een voorwaardenscheppende functie. Zij behoudt die gedurende het hele leven van haar burgers, onder meer op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Dat is een van de taken die zij in een democratisch gecontroleerde samenleving heeft.

Mits die burgers zich houden aan wetten en bepalingen zijn zij verder vrij hun leven op zeer persoonlijke wijze in te vullen. Geen twee levens verlopen dan ook op dezelfde wijze, noch qua duur, noch qua inhoud en al helemaal niet wat betreft de kwaliteit ervan. Wanneer zich problemen voordoen kunnen mensen zich wenden tot een grote verscheidenheid aan hulpverlenende instanties, die mede door de overheid in het leven zijn geroepen of door haar worden ondersteund.

Toch kan er, alle psychiaters en andere hulpverleners ten spijt, voor iemand een moment komen waarop zij/hij zeker weet dat verder leven niet langer zinvol of zelfs onmogelijk is. Die zekerheid kan ook gegroeid zijn zonder bemoeienis van genoemde instanties; het inroepen van hulp is een kwestie van vrijwilligheid.

Dat de doodswens niet is voorbehouden aan één leeftijdscategorie mag als bekend worden verondersteld. Sommige overlijdensberichten getuigen daarvan en menigeen wordt opgeschrikt wanneer zich in de omgeving een geval van zelfdoding voordoet van iemand van jonge of middelbare leeftijd.

Maar het zijn toch vooral oudere mensen die met angst en beven hun nog korte toekomst tegemoet zien. Zij willen niet aan het eind van een leven dat gekenmerkt werd door zelfstandigheid en verantwoordelijkheid in een situatie terechtkomen waarin daarvan geen sprake meer zal zijn. En zij willen vooral hun kinderen en/of andere dierbaren de totale aftakeling en ontluistering van wat eens een denkend en handelend mens was besparen. Zij willen kortom hun lot in eigen hand houden.

Maar als iemand - om wat voor reden dan ook - tot de slotsom gekomen is dat verder leven geen zin meer heeft, dan blijkt de overheid niet langer voorwaardenscheppend bezig te zijn, maar blokkeert zij de mogelijkheid om op een fatsoenlijke manier het leven te beëindigen. Het besluit tot zelfdoding mag weliswaar worden genomen, maar vervolgens rest slechts de keuze uit een aantal gruwelijke mogelijkheden. De overheid wendt het hoofd af en zadelt treinpersoneel, politie en anderen op met alle ellendige gevolgen vandien.

Terecht worden lieden gestraft die een ander van het leven beroven. Maar waarom wordt iemand veroordeeld tot een onwaardig einde terwijl het uitsluitend het eigen leven betreft?

De veelal gewelddadige zelfdodingen (ongeveer 1.500 per jaar) worden uit de media geweerd. Publikatie zou eindelijk tot het besef kunnen leiden dat de overheid deze mensen bikkelhard in de kou liet staan en dat een samenleving die zichzelf als beschaafd beschouwt dit niet langer voor haar verantwoording kan nemen.

Wat weerhoudt diezelfde overheid ervan een instantie in het leven te roepen die vastbesloten mensen de juiste middelen kan verschaffen? In een land waarin vertrouwenspersonen en -commissies een normaal verschijnsel zijn moet een dergelijke instelling toch een reële mogelijkheid zijn. Wanneer het principe - ruim vier jaar geleden ook al door Drion bepleit - eenmaal is aanvaard, kan de technische uitvoering daarvan geen belemmering vormen.

Mensen voor wie het leven niet langer leefbaar is, hebben recht op hulp bij een fatsoenlijke afronding daarvan. Bovendien is het nu zo dat sommigen wel degelijk aan de vereiste middelen kunnen komen, medici bijvoorbeeld, maar vele anderen niet. Uit het oogpunt van rechtsgelijkheid is dat onaanvaardbaar.

Zoals de overheid al vóór de geboorte en tijdens het leven een voorwaardenscheppende functie heeft, dient zij die ook te hebben met betrekking tot het zelfbepaalde levenseinde.