Op justitieel drijfzand

MARCEL HAENEN en TOM-JAN MEEUS: Het IRT-moeras

160 blz., Balans 1996, ƒ 24,90

Het wordt zompig in Nederland. Na het 'mestmoeras' van de Agrarisch Dagblad-journalist Bloemendaal is er nu het 'IRT-moeras' van Haenen en Meeus van NRC Handelsblad. Beide boeken verschenen op het goede moment. Het Mestmoeras vlak voor de parlementaire behandeling van de mestnotitie en Het IRT-moeras kort voor de verschijning van het rapport van de parlementaire enquêtecommissie.

Het IRT-moeras bestaat voornamelijk uit reeds eerder in NRC Handelsblad gepubliceerde artikelen. De hoofdstukken zijn chronologisch geordend en hier en daar van aanvullingen voorzien. Nieuw is de inleiding, hier en daar staat wat verbindende tekst en tevens wordt verteld hoe de schrijvers aan hun informatie komen. Over de gehele linie is de journalistieke stijl goed volgehouden. De hoofdstukken zijn in delen gegroepeerd, waardoor de opeenvolgende fasen van het proces overzichtelijk voor het voetlicht treden.

Die opzet heeft het voordeel dat de onderdelen scherper worden teruggebracht in de actualiteit. Bij de artikelen - goede onderzoeksjournalistiek - waren een paar opzienbarende: het door Van Randwijck geëiste spreekverbod voor hoofdcommissaris Nordholt, nadat die zich in interviews opnieuw publiekelijk had uitgelaten over de onaanvaardbaarheid van de werkmethode van het IRT; het interview met Nordholts Haagse collega Brand betreffende de opvattingen van de politiechefs over het vrijgeven van drugs in ons land en de ongedacht grote omvang van drugsimporten via de Haarlemse politie.

Een boeiende bijkomstigheid, die uit Het IRT-moeras duidelijk naar voren komt, is dat de werkwijze van onderzoeksjournalisten overeenkomst is gaan vertonen met die van CID-rechercheurs. Journalisten bedienen zich bij telefoongesprekken na verloop van tijd van codes en controleren regelmatig of zij niet worden gevolgd. Zij maken gebruik van hotelkamers en afgelegen plekken om niet te worden afgeluisterd. Ook zij komen voor de vraag te staan hoe het verhaal van een informant moet worden gewogen, ook zij worden bedreigd. Naast koningskoppels bij de CID zijn journalistieke koningskoppels opgestaan en sterreporters met een eigen tv-programma. Ook voor de media is misdaad gaan lonen.

Oud-minister van justitie Hirsch Ballin heeft vorige week, bij het verschijnen van het boek, al op de dominante rol van de publiciteit in de IRT-affaire gewezen. Het IRT-moeras maakt duidelijk dat een onthutsende hoeveelheid politie- en justitiemensen informatie en stukken aan journalisten heeft gegeven, en dat het 'lekken' in een stroomversnelling is geraakt na de publikatie van het rapport-Wierenga. Op den duur kon dat informatieproces niet meer worden ingedamd en ontstond een nieuwe en eigen werkelijkheid, waarin crisisbeheersing niet meer mogelijk was. De auteurs menen overigens dat de aandacht van de pers voor de politie en het criminaliteitsvraagstuk zal wegebben. Ik betwijfel dat zeer. Het publiek is wakker geworden en heeft belangstelling gekregen voor de meer spectaculaire aspecten van het politiewerk en van de zware criminaliteit. Er is op dit gebied een markt ontstaan die naar mijn mening bovendien een blijvende invloed op het politiewerk zal uitoefenen.

Het politieke en ambtelijke reilen en zeilen in de IRT-affaire komt in het boek weinig aan bod en ook het openbaar ministerie wordt karig bedeeld. Het IRT-moeras is vooral het verhaal van de politie. Op één punt worden de auteurs daarbij expliciet. Het ontstaan van de IRT-affaire zou liggen in de verhoudingen binnen de 'jaargroep 1959' van de Nederlandse Politie-academie, en voor het huidige conflict zou in de periode 1959-'62 reeds de kiem zijn gelegd. Het boek begint dan ook met een schets van die jaargroep waarvan onder anderen Nordholt en Wiarda deel uitmaakten; een foto van de jaargroep prijkt op de omslag en de gezichten van die twee zijn eruit gelicht: het IRT-drama wordt afgespiegeld als een uit de hand gelopen gevecht tussen twee 'grote ego's'.

Er wordt een beeld geschetst als zouden de huidige korpschefs van de vier grootste gemeenten toen al een bijzondere band hebben. Het gegeven dat de huidige hoofdcommissarissen elkaar toen al kenden - Brand en Hessing (Rotterdam) waren overigens van andere jaargroepen; de een was al weg toen de ander kwam - moge in zijn algemeenheid juist zijn, een verklarende waarde schuilt er niet in. Het kan zijn dat '1959' het idee had een bijzondere lichting te zijn, zoals in het eerste hoofdstuk staat vermeld. Maar dat is iets dat inherent is aan elke jaargroep - wie in militaire dienst is geweest of lid is geweest van een studentenvereniging kan dat beamen - en het is te ver gezocht die band te relateren aan conflicten die ruim drie decennia later de kop opstaken, iets dat de auteurs in de verdere verloop ook niet aannemelijk maken.

De beslissing tot opheffing van het IRT was geen solo-actie van Nordholt en geen gevolg van welk conflict ook tussen hoofdcommissarissen. Wie het rapport-Wierenga er op naslaat, kan daaruit niet opmaken dat Nordholt op opheffing heeft aangestuurd. Er kon geen overeenstemming worden bereikt over de te volgen koers: dat was de belangrijkste oorzaak van het verdere verloop. Wel staat vast dat de procedure in collegiaal opzicht niet fraai was en dat Nordholt zich vervreemdde van zijn collega's. Zakelijke conflicten, gecompliceerde beheersverhoudingen, lokale politiegewoonten, de reorganisatie van de politie en verschillen van opvatting binnen het openbaar ministerie speelden een veel belangrijker rol dan een vermeende vete.

    • P. van Reenen