'Mislukking muntunie stort Europa in een crisis'

De geesten waren amper uit de fles of de ghostbusters waren al ter plekke. De Franse president Chirac, premier Alain Juppé en de Duitse minister van buitenlandse zaken, Klaus Kinkel, haastten zich deze week te verzekeren dat de Europese munt er volgens afspraak komt, nadat een aanzienlijke rij vooraanstaande Europese politici - onder wie voormalig Europees Commissaris Jacques Delors en de vroegere president van Frankrijk Valérie Giscard d'Estaing - twijfel over een tijdige invoering van die munt had geuit.

Nu behalve de eurosceptici in de Britse Conservatieve partij ook Europa's grand old men hardop twijfelen aan de monetaire plannen, heeft de Economische en Monetaire Unie (EMU) het politieke debat in Europa volledig in haar greep gekregen. Twijfel over het welslagen van het project heeft regerende politici van landen die zich aan de muntunie hebben gecommitteerd in een krampachtige omhelzing gedreven. Mochten ze elkaar en het project loslaten, dan is de prijs aanzienlijk - zowel politiek als economisch.

Omdat de EMU in eerste instantie een economisch initiatief is, zijn ook de gevolgen van wel of niet slagen in eerste instantie economisch. Als de EMU er niet komt betekent dat voor bedrijven aanhoudende onzekerheid over wisselkoers-schommelingen en blijven Europese toeristen veroordeeld tot de irritante want kostbare gang naar het grenswisselkantoor. Als de EMU later komt, komen ook de voordelen later.

Voor de pleitbezorgers van Europese eenwording staat met de EMU veel meer op het spel dan verbetering van de randvoorwaarden van het economisch verkeer. Als de EMU faalt, zo betoogt bijvoorbeeld de Nederlandse Europarlementariër Alman Metten (PvdA), dan “stort Europa in een economische én een politieke crisis. Dat klinkt paniekerig, maar zo ligt het helaas wel.” Professionele Europeanen voorzien bij het falen van de EMU een nachtmerrie: niet alleen stagneert dan de vooruitgang, ook bestaande Europese verworvenheden lopen het risico met de EMU te worden weggespoeld.

Als de EMU mislukt, stelt Metten, komt ook het vrije verkeer van goederen - dé grote verworvenheid van de Europese Unie - in gevaar. “De interne markt gaat dan in de achteruit.” Lidstaten met een harde munt zullen dan bijvoorbeeld in de verleiding komen om (goedkope) produkten uit lidstaten met een zachte munt te weren. “Het is moeilijk om de neiging tot protectionisme dan weer terug te stoppen.”

Wie hardop twijfelt aan de bestaande EMU-plannen opent daarmee ook de weg naar prestige-verlies voor menig politicus en een nieuwe ronde politieke strijd met onvoorspelbare uitkomst. Het Verdrag van Maastricht, waarin de EMU is geregeld, laat eigenlijk geen ruimte meer voor twijfel. Landen die aan de toetredingscriteria voldoen moeten uiterlijk per 1 januari 1999 samen een monetaire unie vormen, aldus de tekst waaraan regeringsleiders zich sindsdien bij herhaling hebben gecommitteerd. Uitstel betekent daarom formeel herziening van het verdrag, compleet met parlementaire ratificatie en mogelijk referenda.

Uitstel van de EMU is bovendien niet wenselijk omdat de Europese Unie in de komende jaren uitgebreid moet worden met een aantal kleine landen - Malta en Cyprus - en een aantal grotere, Middeneuropese staten, zoals Polen, Hongarije, Tsjechië. “Als je het nu niet doet is de kans levensgroot dat je geen meerderheid meer krijgt” zegt Metten. De huidige kandidaat-toetreders moeten een nog veel grotere inspanning leveren om aan de toetredingseisen te voldoen dan de huidige kern-landen. Daarmee zou het beeld van de Unie voor jaren worden vastgelegd: het grotere, lossere verband wint het dan van nauw samenwerkend verband.

Ook voor politici die de EMU zien als een eenmalig aanbod van Duitsland aan de rest van Europa is uitstel gevaarlijk. Gijs de Vries, liberaal Europarlementariër: “Het sterkste land uit de Unie wil haar belangrijkste machtsmiddel delen met de rest van Europa. Zo'n bod blijft niet immer van kracht. Als het wordt afgeslagen zal dat in Duitsland leiden tot de reactie: ok, het moet dus anders.” Dat veronderstelt overigens wel dat Duitsland zijn economische suprematie op de langere termijn kan handhaven, dat de strijd van regering-Kohl en de vakbonden tegen werkloosheid en economische stagnatie waartoe deze week werd besloten, succesvol is.

Een teleurstellende afloop van Europa's monetaire experiment zou er bovendien, vreest De Vries, toe kunnen leiden dat politici omwille van winst op de korte baan het populisme aanwakkeren en het “mantra van de nationale controle weer inroepen. En daar is de aanpak van grensoverschrijdende kwesties beslist niet mee gediend.”

De recente geschiedenis leert dat het falen van één project nog niet de ondergang van de Europese droom betekent: in 1954 sneuvelde bij voorbeeld de Europese Defensie Gemeenschap, om drie jaar later gevolgd te worden door Europese Economische Gemeenschap. Voor Metten is het geen troost: “Toen zaten 6 landen om de tafel, nu moeten er 15 overeenstemming bereiken. ”