'Kliniek indiscreet in affaire die psychiater dood indreef'

DORDRECHT, 27 JAN. Geneesheer-directeuren van verschillende psychiatrische instellingen eisen het aftreden van de Raad van Toezicht van het algemeen psychiatrisch ziekenhuis De Grote Rivieren in Dordrecht. Zij verwijten de Raad “volslagen indiscreet” handelen in de affaire die heeft geleid tot de zelfmoord van hun collega dr. D.N. Oudshoorn.

Oudshoorn, kinder- en jeugdpsychiater en directeur Behandelzaken van het Dordtse ziekenhuis, zou een “te emotionele band” hebben gehad met een psychiatrische patiënt, die daardoor ernstig verward zou zijn geraakt. De directie van het ziekenhuis schorste de psychiater op 19 januari met onmiddellijke ingang en verspreidde een verklaring onder verschillende instanties en patiënten in Dordrecht, waarin zij haar excuses aanbiedt en zegt het voorval ernstig te betreuren. Naar het ANP werd een persbericht verstuurd. Een ontslagprocedure werd nog op dezelfde dag in werking gezet. Drie dagen later pleegde Oudshoorn zelfmoord.

“Wij zullen - ieder afzonderlijk - vragen om het aftreden van de voorzitter van de Raad van Toezicht. De Raad heeft onnodige haast gemaakt, onnodig de publiciteit gezocht en steeds getracht moreel voorop te lopen”, aldus K. van der Velden, hoofdredacteur van het tijdschrift Directieve therapie en woordvoerder namens de collega's van Oudshoorn. “Het is niet zo maar suïcide, het is een Japanse suïcide: het gaat om eer en schaamte.” In een overlijdingsadvertentie in deze krant - van hoogleraren, geneesheer-directeuren, collega's en anderen die Oudshoorn goed kennen - spreken zij van de “onberispelijke praktijkoefening” van hun vriend.

De Raad van Toezicht van het ziekenhuis heeft geen rouwadvertentie geplaatst. Dit is gebeurd op uitdrukkelijk verzoek van de advocaat van Oudshoorn, die daarmee de wens van de overledene tot uitdrukking laat komen. De advocaat trad op als woordvoerder voor Oudshoorn in gesprekken met de Inspectie en met de Raad van Toezicht.

De voorzitter van de Raad van Toezicht van het ziekenhuis, D. Essink, bevestigt dat hij “aanwijzingen” heeft gekregen dat het door de familie niet op prijs wordt gesteld als de Raad van Toezicht zijn medeleven toont. “In grote trekken heel begrijpelijk. Wij betreuren het in hoge mate dat de heer Oudshoorn deze weg heeft gekozen”. Volgens Essink, die als enige van De Grote Rivieren de pers te woord staat - de medewerkers moeten zwijgen - heeft de Raad hem “alternatieven” geboden maar is Oudshoorn daar niet op ingegaan. Het alternatief was dat de psychiater de eer aan zichzelf zou houden.

De relatie tussen het hoogste orgaan van het ziekenhuis en de beide directeuren, K. Van Hogendorp en Oudshoorn, is naar zijn zeggen altijd uitstekend geweest “totdat deze kink in de kabel kwam”. Voor Essink en de directie bestond er na grondig onderzoek “geen enkele twijfel over wat er gebeurd was”. “Er viel een geheel ander licht op de man voor wie wij de allerhoogste waardering hebben”, aldus Essink.

Oudshoorn werkte sinds 1987 in het ziekenhuis en was nauw betrokken bij de oprichting ervan. Toen hij solliciteerde naar de functie van directeur Behandelzaken stak hij volgens Essink “met kop en schouders boven alle kandidaten uit”. De voorzitter stelt voor het dossier-Oudshoorn te sluiten omdat “het voor de nabestaanden steeds smartelijker wordt.”

Oudshoorn wordt in vakkringen beschouwt als een psychiater met een zeer grote staat van dienst. Hij was gespecialiseerd in de kinderpsychiatrie en een prominent voorstander van veranderingen in de geestelijke gezondheidszorg. Zo stond hij aan de wieg van de zogeheten multifunctionele eenheden, waarbij de psychiatrische patiënt zo veel mogelijk ambulant behandeld wordt en in zijn eigen omgeving kan blijven.

Oudshoorn raakte in opspraak toen een patiënt te kennen gaf niet meer door de directeur te willen worden behandeld. De nieuwe psychiater ontdekte een “ernstig verstoorde behandelsrelatie” en sloeg alarm. De relatie met de patiënt had anderhalf jaar geduurd. Essink wilde niet spreken van seksueel misbruik, maar beperkte zich ertoe te zeggen dat er “een zeker mate van erotiek aan te pas had kunnen komen.”

    • Margot Poll