Kastelen

B. OLDE MEIERINK, G. VAN BAAREN e.a. (red.): Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht

596 blz., geïll., Matrijs Utrecht 1995, ƒ 69,90

Het lijkt warempel wel een werkverschaffingsproject, deze volumineuze pil, waaraan ruim 50 auteurs en redactieleden een bijdrage hebben verleend. Niet minder dan 107 kastelen passeren meer of minder uitgebreid de revue en dan nog zijn de schrijvers niet aan het eind van hun Latijn, want in een 20 bladzijden lange appendix laten zij vele (nog) niet (volledig) aan hun criteria beantwoordende kasteelachtige of soms te weinig bekende huizen gerubriceerd naar gemeente, kort passeren. De alfabetische beschrijving der objecten wordt voorafgegaan door ongeveer 80 bladzijden geschiedenis en kunsthistorische beschouwingen. Kortom, een voorbeeldig repertorium voor ieder die zich op de hoogte wil stellen van de geschiedenis der bestaande en verdwenen Utrechtse kastelen.

Utrecht lag ingeklemd tussen de vanouds machtige gewesten Holland en Gelre en moest zich als bisschoppelijk territoir keer op keer teweerstellen tegen opdringerige graven. De bisschoppen hadden hierbij oorspronkelijk de steun van de Duitse keizers, maar de verloren investituurstrijd leidde ertoe dat de keizer in 1122 de benoemingsbevoegdheid van bisschoppen aan de paus moest laten. Dit bracht mee dat de bisschoppelijke machtsbasis zeer werd verzwakt en dat de bisschoppen hun vazallen kort moesten houden om zelf in het zadel te blijven.

In dit vacuüm konden de Hollandse en Gelderse graven naar hartelust stoken: enerzijds had de bisschop zijn vazallen nodig als verdedigers van zijn bezit, maar aan de andere kant bracht de opkomst van hun kastelen mee dat machtige families zich hiermee tegen hem konden gaan verzetten. Loyaliteiten en dienstbaarheden van de zogenoemde ministerialen konden zich door bemoeienissen van de graven tegen de bisschoppen keren en op den duur verloren deze laatsten zoveel macht dat ze genoodzaakt waren kastelen aan vazallen in onderpand te geven voor leningen. Tegelijkertijd kwamen echter eveneens de steden op als machtsfactor en zij riepen deze kasteelheren in de 14de eeuw een halt toe. Ook de introductie van het kanon betekende een sterke aantasting van het kasteel als machtsbasis en langzaamaan taande dus hun militaire betekenis.

Kastelen werden steeds meer statussymbolen en in de loop van de 16de en 17de eeuw werden vele oude sterkten omgebouwd tot statige ridderhofsteden. Om aan de definitie van ridderhofstad te voldoen waren om belastingtechnische redenen toentertijd drie kwaliteiten noodzakelijk, namelijk: de bezitter diende zelf deel uit te maken van de ridderschap, het huis moest versterkt en omgracht zijn en ten slotte moest er een boerderij tot het complex behoren. En er werd wat afgeprocedeerd en gelobbyd om tot deze belastingvrije categorie van onroerende goederen te worden toegelaten.

Welke regelmatige NS-klant kent niet de vierkante gepleisterde Hamtoren tussen Vleuten en Harmelen met de sierlijke lantaarn als bekroning van het tentdak? Het uit de 14de eeuw daterende kasteel Den Ham bezat een eveneens vrijwel vierkante woontoren als oudste onderdeel, maar al spoedig werd deze beperkte plattegrond uitgebreid naar een L-vorm. In de 15de eeuw werd de open hoek ingevuld door een 27,50 meter hoge toren van zes verdiepingen. Na een opknapbeurt in de tweede helft van de 17de eeuw raakte het kasteel in verval en in 1871 werd het op deze ene toren na gesloopt. De kolos werd tot voor kort ten onrechte beschouwd als de oudste woontoren; nieuw onderzoek bracht de werkelijke ontwikkeling van het kasteel aan het licht. Na een grondige restauratie vervult hij thans wel een woonfunctie en zal hij fier overeind blijven als oriëntatiepunt, niet ver van de grens met Zuid-Holland. Den Ham kent dan ook een geschiedenis waarin het soms in de bisschoppelijke, dan weer in de grafelijke invloedssfeer lag: heen en weer, net als de huidige forens.

Een enkel puntje van kritiek op deze prachtige en rijk geïllustreerde uitgave betreft de noten: niet altijd is duidelijk welke archieven er schuilgaan achter de gebruikte afkortingen. Het is een boek dat zeker niet in één adem zal worden uitgelezen - daarvoor begint het verhaal te vaak opnieuw -, maar dat de in lokale of regionale historie geïnteresseerde veel kijk- en leesgenoegen verschaft.

    • A.F.J. Niemeijer