Kampleven

ESTHER CAPTAIN en ANNELIES VAN DER SCHATTE OLIVIER: Indië, een verre oorlog van dichtbij. Herinneringen van vrouwen in bezet Nederlands-Indië

320 blz., Walburg Pers 1995, ƒ 39,95

“Op 23 augustus (1945) vlogen Nederlandse vliegtuigen over ons kamp. We hebben het Wilhelmus gezongen, neen, gehuild!” zo herinnert zich één van de dertien door Captain en Van der Schatte Olivier geïnterviewde vrouwen haar 'bevrijding'. Verder veranderde er niet veel voor de krijgsgevangenen, geïnterneerden en de Nederlandse vrouwen en kinderen die buiten het kamp waren gebleven. Een echte bevrijding hebben zij niet meegemaakt.

Drie van de geïnterviewde vrouwen waren toen nauwelijks ouder dan zestien jaar. Drie anderen zagen hun zoontjes vertrekken naar een mannenkamp. Twee vrouwen maakten deel uit van de Hollandse kampleiding. Geen benijdenswaardige functie: als er iets mis liep, kreeg de Hollandse kampleiding er als eerste van langs. Vijf vrouwen waren actief in het verzet. In het eerste bezettingsjaar opereerden er nog groepjes Nederlandse militairen in de moeilijk begaanbare bergen op Java. Om hen van wapens en munitie te voorzien, riskeerden Nederlandse vrouwen en mannen hun leven. Door verraad vielen de meeste verzetsstrijders in handen van de Kenpeitai, de beruchte Japanse politie. De mannen werden onthoofd, de vrouwen kregen langdurige gevangenisstraf.

Werd het leven in de kampen gekenmerkt door honger en terreur, de vrouwen buiten de kampen werden geconfronteerd met een gemis aan inkomen, de vrees door de Kenpeitai te worden gearresteerd of door indivuele Japanners te worden lastig gevallen. In het boek komen tevens drie niet-Nederlandse vrouwen aan het woord, onder wie een Molukse, die bij het uitbreken van de oorlog bij haar oom en tante in Nieuw-Guinea verbleef. Zij sloot zich aan bij een KNIL-eenheid die de strijd tegen de vijand voortzette. Veertien van de 62 leden van deze groep overleefden de oorlog. Na de onafhankelijkheid van Indonesië zochten de vrouwen hun heil in Nederland. Daar ontmoetten zij in het algemeen weinig begrip, ze konden niet over hun oorlogservaringen praten en sommigen voelden zich behandeld als tweederangs burgers. Van verwerking van de verschrikking was dan ook geen sprake. Enkelen van hen worden nog regelmatig door nachtmerries overvallen. Eén vrouw: “Als we op vakantie gaan neem ik alles mee wat ik nodig heb. Het is dan net of ik weer op transport ga!”

Toch weigeren zij zich als uitsluitend slachtoffer te zien. Het kampleven heeft hen zelfstandig en sterker gemaakt. Ze moesten wel, omdat ze ook streden voor de overleving van hun kinderen. “Door het kamp heb ik een stukje weerbaarheid meegekregen voor de rest van mijn leven”, zegt een van hen. Het kampleven veranderde de vrouwen volledig en het is dan ook niet verwonderlijk dat de hereniging met hun mannen na de oorlog stroef verliep en in een aantal gevallen uitliep op echtscheiding.

De auteurs zijn er goed in geslaagd de interviews tot geïntegreerde verhalen te verwerken, wat een bundel heeft opgeleverd die tot bezinning stemt.