J. William Fulbright (1905-1995); Een rotsvaste democraat

RANDALL BENNETT WOODS: Fulbright. A Biography

711 blz., geïll., Cambridge University Press 1995, ƒ 88,20

President Truman noemde hem beurtelings senator Halfbright, een kamergeleerde of een son of a bitch met een diploma van de universiteit van Oxford. Volgens president Johnson was hij de belangrijkste van de Nervous Nellies, doetjes die hem aanvankelijk steunden in Vietnam, maar niet over de stalen zenuwen beschikten om daarin te volharden toen de protesten tegen de oorlog toenamen. President Kennedy wilde hem benoemen tot minister van buitenlandse zaken, maar zag daarvan af toen de burgerrechtenbeweging NAACP, de vakbonden en de joodse lobby een campagne tegen hem op touw zetten. Volgens Trumans minister van buitenlandse zaken Acheson had hij te weinig ideeën, volgens behoudende Republikeinen onder wie voormalig presidentskandiaat Goldwater en de huidige voorzitter van de Senaatscommissie van buitenlandse zaken Jesse Helms had hij er juist te veel, en vooral de verkeerde.

J. William Fulbright (1905-1995) had een talent controverses over zichzelf af te roepen. Hij was de op een na beroemdste zoon van Arkansas, senator van 1944 tot 1974 en voorzitter van de gewichtige Senaatscommissie van buitenlandse zaken vanaf 1959. Maar afgezien van het feit dat hij net als zijn streekgenoot Bill Clinton in Oxford studeerde met een Rhodes-beurs, later voor een carrière in de politiek koos en zich aanmeldde bij de Democratische partij, heeft hij nauwelijk overeenkomsten met de huidigfe president. Een vergelijking van hun studietijd in Groot-Brittannië is veelzeggend. Fulbright was in Oxford weliswaar niet de jonge geleerde waarvoor Truman en anderen hem hielden, maar hij werd er intellectueel gevormd en hield er een levenslange bewondering voor het land en vooral het Britse parlementaire systeem aan over. Clinton, die er eind jaren zestig neerstreek, was er vooral een fuifnummer en een beroepsdemonstrant tegen de oorlog in Vietnam.

Verschillen

Ook in politiek opzicht verschillen ze hemelsbreed van elkaar. Clinton vaart blind op opiniepeilingen en advies van politieke goeroes; hij verandert vaak en makkelijk van mening, houdt van campagnevoeren en geniet van het contact met de bevolking. Fulbright was volgens zijn biograaf, de historicus Randall Bennett Woods van de Universiteit van Arkansas, een extreme individualist, een politicus met rotsvaste overtuigingen op het gebied van de internationale betrekkingen en een koppig man die, als hij eenmaal een standpunt had ingenomen, daar vrijwel nooit van af was te brengen.

Moedig was hij zeker. Zo stemde hij in 1954 als enige senator tegen de financiering van Joe McCarthy's commissie van on-Amerikaanse activiteiten, waarschuwde hij Kennedy op een cruciale vergadering aan de vooravond van de Varkensbaai-invasie in Cuba voor de gevaren van die onderneming en ging hij de strijd aan met president Johnson wiens buitenlands beleid volgens hem steunde op een mengeling van halve waarheden en regelrechte leugens. In 1964 gold Fulbright nog als een intimus van de Texaanse president, met wie hij regelmatig dineerde en de details van het buitenlandse beleid besprak. Een jaar later was hij een paria, omdat hij scherpe kritiek had geleverd op Johnsons interventie in de Dominicaanse Republiek. De breuk was definitief en had grote gevolgen.

Maar Fulbright liet zich niet zo maar aan de kant schuiven, en al helemaal niet door iemand die hij intellectueel als zijn mindere beschouwde, ook al was die dan president van de Verenigde Staten. Aanvankelijk verdedigde hij de oorlog in Vietnam in het openbaar, maar begin 1966 veranderde zijn mening. Als voorzitter van de Senaatscommissie van buitenlandse zaken was hij de initiator van en de drijvende kracht achter de openbare hoorzittingen over het conflict in Zuidoost-Azië, die rechtstreeks op de televisie werden uitgezonden. Johnson beschouwde de verhoren terecht als een 'oorlogsverklaring'. Het waren nu eens niet de radicale studenten die hun bedenkingen over de oorlog uitten, hier legde een beschaafde, erudiete senator de ondervraagden het vuur na aan de schenen. Voor het eerst werd de ernst van het conflict de gemiddelde Amerikaan duidelijk.

Johnson was woedend. Hij gaf de FBI opdracht te onderzoeken in hoeverre Fulbright zijn informatie uit handen van de communisten had ontvangen. Terwijl dat nog gaande was, verspreidde de president het gerucht dat de senator uit Arkansas was overgestapt naar het communistische kamp, uit wraak voor het feit dat Johnson had geweigerd hem te benoemen tot minister van buitenlandse zaken.

Fulbright liet zich door deze lastercampagne niet van de wijs brengen. Hij gaf drie invloedrijke lezingen over de oorlog, die eind 1966 in enigszins gewijzigde vorm werden gepubliceerd onder de titel The Arrogance of Power. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, schreef hij, was de buitenlandse politiek van Amerika gegrondvest op de premisse dat Washington overal diende in te grijpen waar een communistische omwenteling dreigde. Een foutieve veronderstelling. Niet iedere nationalistische revolutie met radicale of communistische elementen was volgens hem laakbaar. Maar de Verenigde Staten hoefden maar een rode vlag te ontwaren, of ze reageerden als de spreekwoordelijke stier, met fatale gevolgen: “Langzaam maar zeker toont Amerika tekenen van dezelfde machtsarrogantie, die beschavingen in het verleden heeft aangetast, verzwakt of in sommige gevallen vernietigd.” Amerika zou er volgens hem goed aan doen zijn aandacht te verleggen naar binnenlandse problemen en in het buitenland alleen in het geweer te komen als vitale belangen in het geding waren. Ingrijpen door Washington in de Derde Wereld werkte bijna altijd averechts. Vietnam was daarvan een treffend voorbeeld: de massale militaire aanwezigheid van Amerikanen daar, de enorme geldstroom, het humanitaire hulpprogramma - het had geen ander gevolg dan de vernietiging van de inheemse cultuur. Vietnam, concludeerde Fulbright, “stond op het punt te veranderen in een Amerikaans bordeel”.

Voor Fulbright was 1966 een cruciaal jaar en The Arrogance of Power zijn meest invloedrijke boek. Fulbright de internationalist maakte plaats voor Fulbright de non-interventionist, een term waaraan hij de voorkeur gaf boven isolationist. De Democraat die van 1945 tot 1965 mede vorm had gegeven aan Amerikaanse buitenlandse politiek, schreef nu dat hij het allemaal bij het verkeerde eind had gehad. Twintig jaar had hij gepleit voor een krachtdadig optreden van de president. Nu hield hij een pleidooi voor insnoering van de presidentiële macht door het Congres. Het optreden van Nixon en Kissinger in Vietnam sterkte hem slechts in zijn oordeel.

Fulbright was, schrijft Woods in zijn conclusie, altijd populairder in het buitenland - vooral Europa - dan in de Verenigde Staten. Dat kwam deels door het uitwisselingsprogramma voor studenten waar hij zich zijn hele leven voor inzette en dat zijn naam draagt. Tallozen hebben met een 'Fulbright' hun horizon verbreed, en bekleden nu topfuncties in regeringen, het bedrijfsleven en culturele instellingen. Hij maakte zich bovendien bij Europeanen geliefd door “in de jaren veertig deel te nemen aan de kruistocht tegen het stalinisme, in de jaren vijftig zich in te zetten voor de preventie van een nucleair Armageddon, en in de jaren zestig en zeventig zich sterk te maken voor de bescherming van de wereld tegen Amerika en van Amerika tegen zichzelf”. Voor veel Europeanen was hij een voorbeeld van de beschaafde, erudiete en bescheiden Amerikaan.

Daarbij wordt vaak verdoezeld dat Fulbright een fel verdediger was van de rassenscheiding. De burgerrechtenstrijd van de jaren vijftig en zestig liet hem persoonlijk koud en werd door hem in abstracte zin verworpen als een vorm van 'cultureel imperialisme' van het noordelijk deel van de Verenigde Staten. Woods zit hier duidelijk mee in zijn maag. Een racist was Fulbright niet, schrijft Woods met grote regelmaat. Waar enkele collega-senatoren uit het zuiden zich hevig verzetten tegen integratie van blank en zwart, daar zweeg hij liever. Geen wetsontwerp dat de raciale gelijkheid een stap dichterbij moest brengen kon op zijn goedkeuring rekenen, ook niet toen dat midden jaren zestig al lang geen electorale consequenties meer voor Fulbright persoonlijk zou hebben gehad. De enige keer dat hij zich in positieve zin over de strijd voor gelijke rechten uitliet, was na de grote demonstratie in Washington in 1963. Een dag later zei hij tegen zijn medewerkers dat het hem alleszins was meegevallen hoe orderlijk die was verlopen. En Martin Luther King was bepaald indrukwekkend geweest. De man die zich verzette tegen de dreigende vernietiging van de cultuur in Vietnam, had in eigen land geen oog voor de gebrekkige omstandigheden waarin het gros van de zwarte Amerikaan leefde.

Misschien kwam dat, schrijft Woods, door zijn gebrekkige inlevingsvermogen. Dat speelde hem niet alleen parten bij zijn oordeel over het lot van de zwarte katoenplukkers. De senator die droomde van een rationele internationale orde, van een wereld die werd bestuurd door verlichte en intelligente politici, moest wel teleurgesteld raken in de bewoners van het Witte Huis. Geen president voldeed aan zijn verwachtingen, hoewel hij het met Kennedy na diens valse start in Cuba redelijk kon vinden. Fulbright kon het niet laten in zijn ogen domme opmerkingen af te straffen en presidentiële leugens van sarcastisch commentaar te voorzien. Dat was vaak aangenaam voor journalisten, maar effectief was het niet.

Fulbright maakte ongaarne een knieval voor presidenten wier capriolen hij met afkeuring gadesloeg. Omgang met kwaadwillende politici was niet zijn sterkste kant, schrijft Woods. Aan de andere kant verkeek met name Johnson zich op zijn wilskracht, doorzettingsvermogen en vooral zijn invloed. De kritiek die hij leverde op het beleid in Vietnam zette menigeen aan het denken.

Bochten

Fulbright. A Biography is een uitstekend boek dat door niemand die is geïnteresseerd in de Amerikaanse buitenlandse politiek tijdens de Koude Oorlog mag worden gemist. Dat Woods zich in allerlei bochten wringt om van Fulbright een liberal te maken doet daar niets aan af. Fulbright paarde kennis aan een onafhankelijk oordeel, hij was een conservatieve Democraat die een Republikein had kunnen zijn. Mannen van zijn kaliber zijn dun gezaaid en zij dreigen na de zogenoemde Republikeinse revolutie van november 1994 zelfs geheel van het toneel te verdwijnen. Het is tekenend voor het Amerikaanse politieke klimaat dat Jesse Helms, de Republikeinse voorzitter van de Senaatscommissie voor buitenlandse zaken, bezig is het mes te zetten in allerlei commissies en organen die door voorgangers als Fulbright waren opgericht.

    • Menno de Galan