Iteke Weeda, socioloog van het persoonlijk geluk; Ik vind het fout om steeds maar van het gezin te spreken

In het recente debat over het gezin is de sociologe Iteke Weeda de favoriete boksbal. Haar pleidooien in de jaren zeventig en tachtig voor individualisering, vriendschapsnetwerk- en, LAT-relaties, Ongehuwd moederschap en woongroepen worden gelogenstraft door de feiten. Het klassieke gezin is nog altijd kampioen. Vraaggesprek met de sociologe van de menselijke relaties.

De gezinssociologe zit op de bank in de woonkamer van haar Wageningse herenhuis. Veel snuisterijen, tinnen voorwerpen, kandelaars en planten, alles keurig gerangschikt. “Als je goed in de gaten krijgt wat er zich in jezelf afspeelt stuit je vanzelf op de pijnen, meer dan op de twijfel”, zegt ze. “Ik heb veel gehuild de laatste jaren, je kan er de Rijn mee vullen.” Ze spreekt over de verandering in haar leven die zich voltrok toen ze in 1991 een half jaar in Canada doorbracht, voor een gecombineerd onderzoek naar 'Vriendschap in beweging' en 'Gewenste intimiteiten op het werk'.

De drang om weg te gaan kwam voort uit een sterke behoefte om in een omgeving waar niemand haar kende “van een afstand naar mijn eigen patronen te kijken”, vertelt ze. “Zulke perioden kunnen je innerlijk wel omwoelen, dat is echt niet niks”. Sindsdien is ze spiritueler geworden. “Ik laat ook veel meer mijn gevoel toe”, zegt ze. “In menselijke relaties sloeg ik steeds naar binnen. Dat wordt een bult en als die openbarst... Nee, officieel ben ik niet in therapie geweest, het was meer een kwestie van introspectie. Sindsdien heb ik nog nooit zo veel momenten van intens geluk gekend. Ik ben om me heen gaan kijken. Deze kamer is nu ingericht. Ik heb iets met die rozen, met die varen. Ik verschuif alles herhaaldelijk van plaats, precies zoals ik het wil hebben.”

Prof. dr. ir. C.J. (Iteke) Weeda (52), in 1976 gepromoveerd op het proefschrift Communes en communebewegingen, is sociologe aan de Landbouwuniversiteit Wageningen en buitengewoon hoogleraar emancipatievraagstukken aan de Rijksuniversiteit Groningen. Veertien boeken heeft ze op haar naam staan, over thema's als echtscheiding, vriendschap en liefde. Vooral in de jaren tachtig maakte ze furore, met talloze tv-optredens, opiniërende stukken in Opzij en een eigen column in Libelle. Ze werd omschreven als “een vliegende non met knuffelsyndroom” of “een wetenschapper met goeroe-mantel”. Ze oogstte waardering maar ook keiharde kritiek, onder meer van collega's die haar onderzoeken soms genadeloos de grond in boorden.

“Het primaire samenleven verliest qua vorm de uniformiteit die het zo lang kenmerkte”, schreef ze in Over liefde gesproken (1986). Ze brak een lans voor het BOM-moederschap, voor de adoptie van kinderen door homoseksuele paren. Het alleen wonen, het eenoudergezin, de vrijwillige kinderloosheid en het groepswonen zouden toenemen, voorspelde ze keer op keer.

Maar wat blijkt? In heel Nederland is naar schatting niet meer dan een tiental homoseksuele paren geinteresseerd in adoptie, het bewust ongehuwde moederschap is nooit van de grond gekomen. Het aantal alleenstaanden is inderdaad sinds 1960 vervijfvoudigd en tot 2010 komen er naar schatting nog eens een half miljoen alleenstaanden bij de huidige 2,1 miljoen. Toch hoeft dit volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Nederlandse Gezinsraad er in het geheel niet op te wijzen dat het traditionele gezin verdwijnt, zelfs niet dat er minder gezinnen komen. De bevolking groeit nu eenmaal fors, dus is er ruimte voor uiteenlopende ontwikkelingen naast elkaar.

Jongeren volgen langer onderwijs, ongehuwd samenwonen is normaal geworden, evenals echtscheiding, waardoor mensen na een periode van wonen in een gezin of duo weer alleen gaan wonen. Kortom, over een langere periode bekeken zijn die alleenstaanden, gehuwden en samenwonenden veelal dezelfde mensen, in een andere fase van hun leven. Tachtig procent van de bevolking woont in een leefeenheid. Acht miljoen Nederlanders in een twee-oudergezin, één miljoen in een eenoudergezin, drie miljoen Nederlanders vormen een paar. Slechts een op de zes gezinnen met kinderen valt uit elkaar.

Iteke Weeda is niet onder de indruk van al deze statistische informatie. “Ik ben zo doordrongen van de wereld achter die cijfers”, zegt ze. “Ik ken de onderzoeksmethodes, ik heb dat werk zelf gedaan. Ik weet hoe manipuleerbaar cijfers zijn. Je moet de softheid van de hardheid leren erkennen.” Hier spreekt iemand die gewend is colleges en lezingen te geven, ze is gedreven, soms verdrinkt ze in haar eigen woordenstroom. “Dertig jaar geleden lag je hele levenspad al vanaf het achttiende jaar vast”, stelt ze. “Voor de nieuwe generaties geldt dat nog maar voor een minderheid. De rest krijgt ergens een knik, een knik omdat ze gaan scheiden, een knik omdat ze geen kinderen krijgen, ze krijgen een knik, en dan is er misschien nog wel sprake van een gezin, maar je vindt het niet meer terug in de cijfers.”

Negentig procent van alle 18-42 jarige alleenstaanden verlangt naar een vaste partner. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau vormt de exclusieve tweerelatie met kinderen nog steeds de uiteindelijke wens van de overgrote meerderheid van de bevolking. De Nederlander is conservatiever dan u schrijft.

“Vind ik niet. Want ik geef aan dat het gezin niet meer is wat het was. Het gaat niet alleen om de vorm. Er heeft een cruciale verschuiving plaatsgevonden van het gezin met een gesloten karakter naar een meer open structuur. Door al die echtscheidingen zijn onze verwantschapssystemen ook veel ingewikkelder geworden. In dat vernieuwde gezinsleven kunnen vriendschapsnetwerken een grotere rol spelen. We kijken veel te veel naar procenten en te weinig naar de inhoud, de kwaliteit.

“Ik erken direct dat ik een missie-ijver heb. Maar dat is echt niet om anderen om te turnen, maar vooral om te laten zien waar het om gaat. De taak van de socioloog is het aanwakkeren van discussies. Zeker, zelf hoef ik niet zo nodig in een woongroep te wonen, maar ik schrijf er over omdat het voor de samenleving ongelofelijk belangrijk is dat dit verschijnsel aan betekenis wint: in materieel opzicht, wat betreft het milieu en de bestrijding van eenzaamheid. Zowel bij jongeren als bij ouderen neemt de aandacht voor woongroepen toe.”

'Momenteel zijn er enkele tienduizenden woongroepen, dat aantal zal naar alle waarschijnlijkheid toenemen', schrijft u in Samen Leven, waarvan de tweede herziene druk vorig jaar verscheen. Volgens het CBS woonden er in de gloriedagen van de woongroep ongeveer vijftigduizend Nederlanders in tienduizend eenheden en is dat aantal inmiddels sterk gedaald. Uw cijfermateriaal is dus onjuist.

“Hoezo? Neem al die bejaarden. Voor een deel wonen die in groepswoningen, maar die worden niet als zodanig geteld.”

Zelf specificeert u die ook niet als zodanig.

“Dat is dan een onvolmaaktheid, maar ik houd er helemaal niet van om zo in cijfers te denken.”

U bent wetenschapper. Wat u schrijft moet kloppen.

“Dat is ook zo. Ik moet nog maar eens goed naar de definiëring kijken.” Ze staat op, slaat het bekritiseerde hoofdstuk erop na. Gaat weer zitten. Dan: “We moeten dit wel een leuk gesprek blijven vinden, anders wordt het echt niets hoor. Uit het feit dat je mij met 'u' blijft aanspreken, blijkt al dat er van een verbinding tussen ons geen sprake is. We kunnen natuurlijk net doen alsof journalistiek een onbevooroordeeld medium is, maar niets is minder waar. Als het tussen ons niet klikt, wordt het niks.”

Ik ben niet naar Wageningen gekomen als verdediger van het gezin, zeg ik terug. Zelf leef ik in een woongroep, met tien volwassenen en drie kinderen die geen van alle gehuwde ouders hebben. Toch koester ik ook het romantische ideaal het leven te delen met één partner.

Uit uw boeken en columns krijg ik de indruk dat het gezin een gepasseerd station is, terwijl onderzoek uitwijst dat bijna alle vormen van primair samenleven buiten het gezin tijdelijk van aard zijn.

“Het gezin met minderjarige kinderen is ook tijdelijk, veel tijdelijker dan we vaak denken. Dat kom je in de totaalcijfers natuurlijk niet tegen. Maar wat doet de overheid? Die zet nieuwbouwwoningen neer, geheel vanuit de gezinsideologie. Wie rijk is krijgt drie kinderkamers en wie arm is twee. Eén van die kinderkamers is vaak de babykamer. Moet je nagaan hoe je in zo'n huis al vastlegt hoe een gezin er hoort uit te zien. Al die doorzonkamers, waar je je niet van elkaar kunt afscheiden. Wel een heg naar de buren, dus privacy alleen naar buiten toe. Vader en moeder moeten samen slapen, dus of ze nu ruzie hebben of niet: ze gaan er maar liggen.

“Ik vind het fout om steeds maar van het gezin te spreken. Wat is dat: het gezin? Mensen met kinderen, daar gaat het om. Maar of die kinderen nu in een eenoudergezin leven, in een stiefgezin of in een weeshuis, dat maakt niets uit. Kinderen vormen onze toekomst en zijn dus een wezenlijke zorg van de samenleving.

“Ik heb laten zien dat ook het gezin zelf zich in een veranderingsfase bevindt en dat vind je niet terug in de CBS-cijfers. Op een andere manier wel, dat er meer werkende vrouwen zijn, dat er een naambordje met diverse achternamen op één voordeur staat. Het gaat om de individualisering. Het nieuwe moeten verdwijnt. Dus je moet je kind niet meer naar de crèche doen, nee, het moet mogen. Dus het is een proces van een bewuste, innerlijke eigen keuze. En dat kan een keuze zijn voor een romantische liefdesrelatie, kinderen niet naar de crèche, moeder geen baan, dat kan in principe. Zonder sociale druk van buitenaf noem ik dat een geïndividualiseerde beslissing. Puur aan de uiterlijke vorm kan ik dus niet zien in hoeverre mensen traditioneel zijn.”

In ieder geval is de tendens: uit huis gaan, samenwonen, gezinsvorming. Wie alleenstaand is of gescheiden, zoekt een nieuwe partner, en sticht eventueel een nieuw gezin. Of, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau het formuleert: “Van een de-institutionalisering van het kerngezin als zodanig kan niet worden gesproken. De bevolking is nog steeds gericht op gezinsvorming”

“Ja, mensen zoeken mensen. En ik zal de laatste zijn om het niet fijn te vinden als twee mensen een liefdesrelatie aangaan en besluiten samen te wonen of te gaan trouwen. Maar het ontbreken van een de-institutionalisering suggereert het vasthouden aan traditionele regels en dat is nu juist niet het geval. Toch kijk ik niet op van de grote hoeveelheid traditionele gezinnen, vroeger zijn vooral de extremen nogal breed neergezet.”

Mede door jou.

“Dat zeg jij. Ik heb natuurlijk wel laten zien wat er extra is, buiten de wereld van het puntdak. Het bewust ongehuwde moederschap heb ik nooit gepropageerd, maar ik heb wel gesignaleerd dat we alleenstaande moeders niet meer in tehuizen opsluiten. Er is sprake van vooruitgang: gebroken gezinnen werden onvolledige gezinnen, nu spreken we over eenoudergezinnen. Er zit beweging in. In statistieken scoort gezondheid hoger dan het gezin.”

Ruut Veenhoven, bijzonder hoogleraar welzijn aan de Universiteit Utrecht, constateerde onlangs dat alleenstaanden gemiddeld drie keer zo vaak ongelukkig zijn als mensen met een vaste relatie. Iteke Weeda: “Zulke onderzoeken zijn gebaseerd op wat mensen zelf over hun eigen geestesgesteldheid melden. De samenleving - met al haar getallen - definieert wat geluk is. Leuke baan, leuk huis, leuke kinderen en toch ongelukkig: dat kan niet. Trouwens, is dat het einddoel: niet ziek zijn, wel gelukkig?” Zelf heeft ze na haar scheiding - twintig jaar geleden - al ruim zeventien jaar een LAT-relatie met dezelfde man. Zijn naam staat op de deur, merk ik op. “Sinds gisteren is dat zo”, reageert ze. “Hij sjouwt wel vaak in dit huis rond, maar hij heeft hier geen eigen ruimte, wel een bel dus.”

Je krijgt vaak als kritiek dat je wel van alles over veranderde primaire levensvormen roept, maar dat je er zelf absoluut niet aan wil: niks woongroep, niks diverse partners. Beatrijs Ritsema noemde dat in deze krant ooit “de onthullende schaamteloosheid waarmee Weeda voor zichzelf claimt wat ze anderen wil onthouden”.

“Alles werkt altijd naar twee kanten. Neem mijn stellingen over de toegenomen betekenis van vriendschapsnetwerken. Of ik krijg te horen dat het niet waar is of ze zeggen: vriendschap is al zo oud als de weg naar Rome. Ik heb in die twintig jaar geleerd tussen al die kritiek door gewoon mijn eigen weg te blijven volgen. Aan Beatrijs kan je zien dat ze nooit met mij heeft gesproken. Ik reageer op zulke uitlatingen wel met pijn, maar ik ben ook in staat zo iets te laten liggen bij degene die het zegt. Het zijn haar projecties.”

Toch stel je die vriendschapsnetwerken tegenover het idee van de exclusieve partner, terwijl je zelf één uitverkoren man hebt.

“Ik denk dat veel vrouwen de manier waarop mijn vriend met zijn vriendinnen omgaat niet zouden accepteren. We gaan ook niet vaak samen op bezoek naar onze vrienden. Hij is een type die overal naar binnenloopt en met de mensen praat. Ik moet daar niet aan denken. Dus dat gevoel van één uitverkorene heb ik niet, maar al had ik het wel, dan zou dat nog niets aan mijn ideeën veranderen.

“Ik heb aan mensen in een onderzoek gevraagd hoe monogaam ze de gemiddelde Nederlandse man vinden. Die kreeg een vier. Toen moesten ze aangeven hoe monogaam hun eigen omgeving was - vrienden, collega's - en die kregen een zes, dus wat monogamer. De eigen partner kreeg een negen of een tien. Nou, dat kan dus helemaal niet. Daaraan zie je dat we allemaal de neiging hebben ons ideaalbeeld voor de ander in te vullen. Trouwens, wat is ontrouw? Hoeveel mensen die zich monogaam noemen denken niet tijdens het vrijen aan iemand anders. Is dat ontrouw of niet?”

In een interview met Opzij zei je: “Het vriendschapsnetwerk vind ik een wenselijke ontwikkeling, maar voor mezelf is het uiteindelijk niet de manier van leven.”

“Wat ik wilde zeggen is dat ik heel goed in staat ben om me af te zonderen. Ik kan natuurlijk ook niet al die boeken schrijven en dat onderzoek doen als ik voortdurend op de koffie ga. Aan de andere kant: tijdens mijn verblijf in Canada zag ik me daar in een half jaar een vriendschapsnetwerk opbouwen waar ik zelf u tegen zeg. Dus ik heb er absoluut geen moeite mee.”

Is het fenomeen Iteke Weeda achterhaald?

“Wat je vaak kunt constateren is dat mensen hebben meegedreven op de stroom van de jaren zestig en zeventig en tot de conclusie zijn gekomen: het is passé, want ik heb het allemaal niet waargemaakt. Dat wordt doorvertaald naar mij. Ik zie veel projectie.

“Iemand zei me onlangs: jij zegt veel gemakkelijker je waarheden voor een groot publiek dan tegen je intimi. Ik vind het inderdaad lastig mijn vrienden te bekritiseren, want ik wil ze niet kwetsen. Maar de laatste tijd ben ik ook daarin veranderd. Jarenlang had ik twee thuiswonende kinderen, twee banen, ik gaf lezingen, ik stond mezelf niet toe ergens van te genieten. Ik schreef boeken, maar had geen tijd om te lezen. Nu houd ik me veel minder bezig met grootschalig onderzoek, ik concentreer me op spiritualiteit. Wat is de zingeving van het leven op aarde?

Wetenschap is daarbij soms een hulpmiddel, maar staat bol van de angst en is verstoken van gevoel, terwijl de spiritualiteit veel te vaag blijft. Dus is mijn wens dat die twee elkaar bevruchten. Zo werken er tientallen mensen mee aan een door mij geinitieerd onderzoek naar spiritualiteit en wetenschap.

Veel te lang heb ik me geconformeerd aan de rigide eisen van de wetenschap. In de jaren negentig heb ik het cijfermatige nog meer losgelaten en ben ik me gaan concentreren op de diepte-ervaringen van mensen. Ik ben in feite continu bezig met het promoten van liefde en vriendschap. Aan onze aanwezigheid hier op aarde ligt maar één gedachte ten grondslag: de liefde herkennen en vergroten. Voor die constatering heb ik geen cijfers nodig.''

    • Alfred van Cleef