In CDA-cultuur ontbreekt de gein van oppositie voeren

Ook na de vernieuwing van de fractietop blijft oppositiepartij CDA het onderspit delven in spraakmakende Kamerdebatten, zoals deze week over Fokker. Zal de partij het oppositie voeren dan nooit leren? Kenners van het métier geven tips.

DEN HAAG, 27 JAN. CDA-fractievoorzitter E. Heerma mist de mentaliteit van de biefstuk, zegt R. Nijhof. Hij leidde eind jaren zeventig de eenmansfractie van DS'70 en voerde oppositie tegen het kabinet Van Agt. Nijhof, tegenwoordig ambtenaar op het departement van justitie, grossierde in one-liners. Een van de bekendste was: 'Een politicus moet de mentaliteit van een biefstuk hebben. Hoe harder je erop slaat, hoe malser hij wordt.'

Die stelling toepassend op Heerma, meent Nijhof dat deze de lol niet inziet van het pak slaag dat iedere oppositiepoliticus nu eenmaal van regeringspartijen mag verwachten. Ook de Tilburgse hoogleraar prof.dr. W. Witteveen, gespecialiseerd in politieke retorica, meent dat de huidige CDA-fractie haar oppositiewerk met te weinig kennelijk plezier verricht. “En dat is een factor die de mensen in het land wel degelijk meetellen in hun beoordeling.”

Het succes in de oppositie wordt vooral bepaald door de cultuur die een fractie uitstraalt, bevestigen oud-Kamerlid M. van Dam (PvdA) en de voormalige CPN-leider M. Bakker. Van Dam die in de jaren tachtig regelmatig botste met CDA-premier Lubbers, zegt: “Oppositie voeren is geen kwestie van foefjes of technieken, maar van oppositiecultuur. Die heb je of heb je niet. Het CDA heeft die niet. Die partij is ontstaan uit de macht, gevormd door de macht en met de macht verweven. In feite hebben zij, spiegelbeeldig, het probleem dat de PvdA in 1989 had. Die was helemaal verweven geraakt met de oppositiecultuur.”

Net als andere voormalige oppositieleiders ziet Van Dam de crisis van het CDA voorlopig voortduren. De christen-democraten kunnen intussen weinig anders doen dan zichzelf blijven, vindt Van Dam, en moeten dus niet naar de moker grijpen zoals vice-fractievoorzitter De Hoop Scheffer onlangs voorstelde.

Pag.2: 'Emotie van familie doorsnee uitstralen'

Van Dam: “De enige kans voor het CDA is dat het zich gouvernementeel blijft opstellen, maar dan wel met types die dat goed kunnen. Heerma is een prima vent maar zal het nooit leren. De Hoop Scheffer doet me denken aan één van de Daltons: zo'n onguur type dat ze bij het CDA volgens mij ook niet helemaal vertrouwen.”

Oud-CPN-leider Bakker denkt dat de problemen die het CDA nu ondervindt in de oppositie niets te maken hebben met personen of technische fouten. “Er zijn mensen die denken dat het aan Heerma ligt. Maar al gaat hij op zijn handen lopen, dan gaat het nog niet beter. Het ligt aan de positie de partij inneemt of liever gezegd niet meer inneemt in het politieke spectrum. Om in de oppositie iets te bereiken moet je ook het politieke weer mee hebben.” Eén taktische tip heeft Bakker wel. Het CDA moet wat minder op zichzelf letten en een voorbeeld nemen aan GroenLinks. Deze politieke formatie houdt nauwkeurig andere partijen in de gaten om, als de mogelijkheid zich even voordoet, samen meerderheden te vormen zoals vorig jaar in het debat over de kerncentrale in Borssele. “Maar daarvoor moet je wel on speaking terms zijn met de rest van de Kamer”, zegt Bakker.

Commissaris der koningin in Groningen H. Vonhoff, die als VVD-Kamerlid oppositie voerde tegen het kabinet-Den Uyl, is pessimistisch over de mogelijkheden van het CDA in de oppositie zolang de partij ideologisch gespleten is. “Het CDA heeft een onvoldoende klaar beeld van wat nu ten diepste zijn ideologie behelst. Binnen het CDA bestaat een schijnbare overeenstemming over de ideologische lijn, maar die verhult slechts te interne gespletenheid.”

Als voorbeeld wijst Vonhoff op het gezinsstandpunt van het CDA. Fractievoorzitter Heerma luidde bij de Algemene Beschouwingen vorig jaar de noodklok over dit instituut en pleitte zelfs voor de invoering van een minister voor gezinszaken. Vonhoff: “Het CDA maakt zich hard voor het gezin, maar alternatieve leefvormen zijn ook toegestaan. Dat is onduidelijk.”

Ook democratisch-socialist Nijhof denkt dat het CDA duidelijker moet worden over het gezin. “Als dat goed gebeurt kan het CDA een emotie gaan uitstralen die de partij onderscheidt van 'paars': de emotie van de 'familie doorsnee'. Dat is een emotie waarin de achterban zich kan herkennen. Zo'n familie-emotie heeft allerlei beleidsmatige consequenties: gezinspolitiek, afrekenen met het gedoogbeleid, meer veiligheid op straat, enzovoorts.”

De hoogleraar Witteveen bepleit een zelfde soort benadering. “In plaats van het in detail volgen van het regeringsbeleid op alle gebieden, zou de CDA-fractie zich tot vertolker moeten maken van onvrede onder de bevolking op enkele issues.” Het gezin als thema zou kunnen worden uitgebouwd, maar ook op het terrein van de criminaliteit liggen volgens Witteveen de kansen voor de oppositie voor het oprapen. “De fractie zou de dagelijkse werkzaamheden in de Kamer op het tweede plan moeten zetten, enkele kwesties moeten identificeren die gevoelig liggen in de samenleving en die tot op het bot laten bestuderen door een denktank die munitie aandraagt voor de fractie.”

In tegenstelling tot de PvdAer Van Dam meent Witteveen dat het CDA daarbij afscheid zal moeten nemen van de 'gouvernementele oppositie' waarin bestuurlijke haalbaarheid centraal staat. “Gouvernementele oppositie is zoiets als integratie met behoud van identiteit: een oxymoron, een nauwe verbinding van tegenstrijdige begrippen. Gouvernementele oppositie eindigt in verlamming.”