Huizen worden duurzamer, beter ontworpen, milieuvriendelijker en groter; Het bewoonde eiland

Nederland heeft de komende tien jaar zevenhonderdduizend woningen nodig. De bevolking groeit en wil bovendien steeds meer ruimte. Is Los Angeles aan de Noordzee onafwendbaar? Op zoek naar het huis van de toekomst: de seniorenwoningen, eco-wijken, 'lofts', spaghetti-wijken en stadsvilla's. In de serie over het nieuwe wonen en werken na 'het klapstoelkantoor': het bewoonde eiland.

Het Huis van de Toekomst is verleden tijd. Begin dit jaar liepen de sponsorcontracten af en besloot techno-idealist Chriet Titulaer zich te wijden aan andere, op de toekomst gerichte, projecten zoals een kantoor en een hotel. Voorlopig staat het er nog wel, het futuristische bouwsel in Rosmalen met zijn schuine wanden van gerecycled beton, fontein en tuinverlichting op zonne-energie en de schotel op een hoge paal die regenwater opvangt.

Het belangrijkste uitgangspunt, zegt Titulaer, was dat het huis dienstbaar moet zijn aan de mens. Sommige voorzieningen vallen in de categorie luxe foefjes, zoals het verstelbare aanrecht en het dak van de badkamer dat op gesproken commando openrolt. Het electronisch alarmsysteem belt zelf de politie als er een inbreker is en maakt ook nog foto's van de boef. De huiscomputer, Ralph genaamd, wekt jou en de kinderen, laat het bad op de aangewezen temperatuur vollopen, zet de koffie en kookt het eitje. De privacy van de slaapkamer is eenvoudig te regelen dank zij een wand van twee glaslagen die met de afstandsbediening nu eens 'helder', dan eens 'mat' geschakeld kan worden. Naast het huis staat een garage met zonnepanelen die energie voor de electrische auto leveren.

Titulaer zal de eerste zijn om toe te geven dat zijn Huis van de Toekomst niet voor iedereen is weggelegd, al was het maar vanwege de kosten: 11,5 miljoen. Maar inmiddels zijn veel van de ideeën die bij de opening in 1989 nogfuturistisch leken, al dichterbij gekomen, bijvoorbeeld de beeldtelefoon, aansluiting op de electronische snelweg en milieumaatregelen als gescheiden afvalverwerking en het hergebruik van bouwmaterialen. Titulaer is er dan ook van overtuigd dat de oorspronkelijke uitgangspunten ondanks de sluiting van zijn geesteskind, hun geldigheid niet hebben verloren. “De voortgang van de technologie, de groei van het besteedbare inkomen, het terugdringen van de mobiliteit en de milieubelasting: hun invloed op de manier waarop wij onze woningen bouwen, inrichten en gebruiken, zal alleen maar toenemen.”

Naoorlogse flats

Momenteel worden er in Nederland jaarlijks tussen de negentig- en de honderdduizend woningen nieuw gebouwd, maar er staan er al zes miljoen. De stadsvernieuwing van de vooroorlogse wijken is nagenoeg klaar. Gaandeweg komt nu de naoorlogse woningvoorraad, veelal grote flats aan de stadsranden, aan de beurt. Zo worden er miljoenen gepompt in het alsnog aantrekkelijk maken van de Bijlmermeer. Het zijn vooral middelgrote steden als Eindhoven, Tilburg en Breda, waar het grootste deel van de woningen van na de oorlog dateert, die nu met grootschalige renovaties te maken krijgen.

Het Eindhovense bureau Kovos heeft zich gespecialiseerd in 'upgrading' van deze vaak verguisde 'woondozen'. Directeur P. Meeuwis noemt een paar ingrepen die de leefbaarheid en aantrekkelijkheid kunnen verhogen: “De woningen zijn vaak ruim, maar de entrees zijn in verhouding laag en benauwd. Een hoge entree van drie of vier verdiepingen is mooier en voelt prettiger. Bij één flat hebben we aan de koppen 'annexen' toegevoegd, aparte kamers met een toegang via de galerij waar je flink lawaai kunt maken zonder je huisgenoten tot last te zijn.” Vanwege de vergrijzing van de bevolking behelst de renovatie vaak de toevoeging van een lift in flats van vier of meer verdiepingen.

Onlangs won Kovos een prijsvraag voor de renovatie van een aantal flatgebouwen in de Bredase wijk Tuinzigt. “Deze flats stonden altijd aan de rand van de stad, maar nu daar een hele nieuwe stadsuitbreiding achter komt worden ze ineens het middelpunt van de wijk,” vertelt Meeuwis. “Wij stellen voor om vier los staande flats met elkaar te verbinden door middel van een overdekt viaduct, oftewel het 'winterplein', waar ook een theehuis, een ontmoetingsruimte van senioren en eventueel plek voor een huismeester aan liggen. Een van de flats krijgt in ons plan een gemeenschappelijk groen dakterras, en het parkeren wordt helemaal overdekt.”

Bij grote flatcomplexen is de begane grond vaak een probleem omdat de bergingen een doods en oncontroleerbaar gebied vormen. In Breda wil Kovos er een wand voor plaatsen met één overzichtelijke ingang; de woningen langs die gevel zouden toegang tot het maaiveld krijgen. Binnen verandert er weinig, alleen aan de balkons: “Er waren balkons aan de noordkant, maar daar heb je niet zo veel aan. Die hebben we daarom 'omgedraaid': de oude balkons worden bij de woonkamers getrokken of tot serre omgebouwd, en aan de zuidkant wordt de galerij verbreed zodat je er ook kunt zitten.”

Dit plan voorziet weliswaar in een ontmoetingsruimte voor senioren, maar Meeuwis onderstreept dat de Tuinzigt-flats even geschikt voor gezinnen zijn als voor ouderen. Hij waarschuwt tegen het bij elkaar stoppen van ouderen in deze naoorlogse flats, in een soort 'bejaardengetto'. “Sommige ouderen vinden het prettig om bij elkaar te wonen, maar dat geldt lang niet voor iedereen. Het is ook niet per definitie zo dat oudere mensen minder ruimte nodig hebben. Naarmate er meer vrouwen een eigen carrière hebben zullen er in de toekomst steeds meer zogenaamde symmetrische huishoudingen zijn, ook onder ouderen, waarbij beide partners zelfstandige activiteiten hebben.”

Vast staat dat door de vergrijzing het aandeel van ouderen op de woningmarkt groeit. Nu al vormt deze groep meer dan de helft van de huishoudens met een inkomen van modaal of minder, aldus de Trendbrief van het ministerie van Volkshuisvesting van afgelopen november. In het jaar tweeduizend, wanneer een kwart van de Nederlandse bevolking 55 jaar of ouder zal zijn, zal dat liefst zestig procent zijn. In de steden zijn woongroepen voor ouderen inmiddels een bekend verschijnsel, en de vraag naar mengvormen van wonen en zorg groeit navenant.

Behalve met de vergrijzing van de bevolking houdt de woningbouw ook steeds meer rekening met het milieu. Sinds midden jaren tachtig is het aantal experimenten met milieuvriendelijke architectuur explosief gegroeid. Lange tijd was het 'groene bouwen' een wat modieuze, om niet te zeggen excentrieke aangelegenheid, waarbij de hooggestemde doelstellingen vooral in de vormgeving tot uiting moesten komen. In 1993 opende koningin Beatrix Ecolonia, een milieuwijk van honderd huizen in Alphen aan de Rijn. Aan sommige huizen zijn de goede bedoelingen af te zien: aan de grasdaken of aan de compost-toiletten. Aan het regenwaterbassin in het midden staat een informatiecentrum van hout en leem. Inmiddels dringt het milieubewust, oftewel duurzame bouwen steeds verder door in de gewone bouwproduktie. Het ministerie van VROM schat dat elementen van duurzaam bouwen in zestig tot zeventig procent van de woningen worden verwerkt, en dat tien procent van alle nieuwbouw 'tamelijk milieuvriendelijk' kan worden genoemd.

In dezelfde maand dat Ecolonia feestelijk werd geopend, werd in Heerhugowaard de eerste paal geslagen voor een vier keer zo grote milieuwijk. Op het voormalige terrein van de Gemeentewaterleidingen (GWL) in Amsterdam wordt naar ontwerp van Kees Christiaanse een wijk gebouwd met bijna zeshonderd woningen die in 'stadsvilla's' worden geconcentreerd met heggen en volkstuintjes eromheen. De straten zijn volledig autovrij: voor dit experiment heeft de gemeente de norm van één parkeerplaats per woning bewust opzij gezet. De toiletten worden doorgespoeld met regenwater uit een bassin met waterzuiverende planten. De woningen hebben kleine ramen op het noorden en grote op het zuiden. De bewoners deponeren straks het vuilnis in drie buizen in de grond die eenmaal per week worden leeggezogen. “Milieubewust bouwen hoeft niet laagbouw met grasdaken te zijn,” zegt Christiaanse. “Het milieu is een gewone technische eis geworden die je in hoogwaardige architectuur kunt verwerken.”

Het huis van de toekomst zal in toenemende mate een eigen huis zijn. De overheid stimuleert het kopen steeds meer, niet alleen met het premiestelstel maar ook door woningbouwverenigingen toe te staan huurwoningen te verkopen. Lange tijd was in Nederland de verhouding zeventig procent huur, dertig procent koop. Nu is dat half om half. Daarbij is aanzienlijke vraag naar duurdere koopwoningen, zo bleek uit een onderzoek uit 1994 van de Nationale Woningraad, 'Wonen na 2000'. Een kwart van de huishoudens bleek bereid meer dan tweeeneenhalve ton te betalen, drie procent zelfs vijf ton of meer.

Behalve de verschuiving van huren naar kopen is de afmeting van de woning een fundamentele ontwikkeling. Een aantal oorzaken ligt voor de hand, bijvoorbeeld het toenemende aantal mensen dat regelmatig thuis werkt. Deze nieuwe markt is ook door ontwerpers ontdekt; het Utrechtse industrieel ontwerpbureau Brandes en Meurs brengt bijvoorbeeld een speciaal 'homedesk' op de markt. Sinds 1 november 1994 geldt immers de Wet op de Arbeidsomstandigheden ook voor de werkplek thuis. In dit huiselijk vormgegeven bureau, uit te breiden met bijzetkast en bespreektafel, kan alle apparatuur als printer, scanner, kopieerapparaat, fax, modem en harde schijf in een (voor kinderen) afsluitbare 'Power Base' worden ondergebracht.

Maar ook los van het thuiswerken hebben we steeds meer ruimte nodig - althans, die verlangen we. We zijn op onze privacy gesteld en willen een eigen kamer, we willen gasten en logés kunnen ontvangen; we willen een aparte hobby-ruimte; we moeten de ski's, de surfplank, de mountain bike, de motor, de doe-het-zelf spullen kwijt. En we willen ons tenslotte profileren.

“Van oudsher zijn de huisvestingskosten in Nederland laag geweest,” zegt directeur Han Michel van de Amsterdamse woningstichting De Key (30.000 woningen), “maar nu zijn mensen bereid meer aan het wonen te besteden. Je woning wordt - net als je auto - steeds meer een statussymbool, een manier om je te onderscheiden, een uitdrukking van je lifestyle. Er is ook steeds minder verband tussen de grootte van de woning en de grootte van het huishouden. Sterker nog, de grotere woningen hebben in verhouding juist minder bewoners. Wat je dan krijgt zijn tweeverdieners die zo ruim wonen, dat er een kamer overschiet die voor de poezen wordt bestemd, of voor de fitness-apparatuur. Het zijn niet zozeer de woningen die veranderd zijn als de bewoners.”

Voor instanties als woningstichting De Key zijn het gouden tijden, vooral in de steden. Han Michel: “Wij krijgen ruimte om onze intuïtie te volgen en op uitzonderlijke plekken uitzonderlijke plannen te realiseren. Zo hebben we nu een project in de graansilo in de westelijke haven van Amsterdam, en in een oude wasserij aan de Sloterkade met een watertoren erachter maken we lofts. Wie de kopers zullen zijn? Daar is geen peil op te trekken. Het is niet meer zoals vroeger, toen Amsterdam bijvoorbeeld de westelijke tuinsteden aanlegde in de zekerheid dat daar allemaal gezinnen met kinderen zouden komen wonen. De enige zekerheid die wij hebben, is dat er voor bijzondere dingen kopers zullen komen.”

Middelmatig

Huisvesting is steeds meer een zaak van 'de markt' geworden. In weerwil van de Nederlandse traditie heeft de overheid zich in de jaren negentig grotendeels uit de woningbouw teruggetrokken. Aan de bovenkant van de markt betekent dat meer keuze, maar voor de grote middenmoot juist veel middelmaat. Maarten Schmitt, senior stedebouwkundig adviseur van de gemeente Groningen, maakt zich zorgen over het marktconform bouwen. “Er ontstaat een groeiende kloof tussen de ontwerpers enerzijds die bezig zijn met lifestyle en expressie, en de marktpartijen die hun produktie snel en zonder enig risico willen afzetten. Wat je dan krijgt is een hoog tempo met een middelmatige kwaliteit.” Het komt zelfs voor, dat een 'sociale' woning even duur is om te bouwen als een voor de vrije markt - en ook nog beter is van kwaliteit en afwerking.

De overheid mag dan wel de volkshuisvesting in handen van de markt hebben gegeven, dat wil niet zeggen dat beide partijen hetzelfde willen. Integendeel. Dat blijkt op de Vinex-locaties, de plekken aan de randen van de steden die het ministerie van VROM in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex) aanwees voor de grote stadsuitbreidingen die nu in voorbereiding zijn. Door deze nieuwe wijken rond de steden te concentreren wil de overheid voorkomen dat het hele land als een soort Los Angeles wordt volgebouwd. Omdat de grondkosten relatief hoog zijn zullen de Vinex-locaties relatief dicht bebouwd moeten worden, met vijftig tot zelfs tachtig woningen per hectare - in plaats van de veertig die in buitenwijken gebruikelijk zijn.

Niet alleen worden de woningen groter, ook het aantal huishoudens groeit hard door. Tussen 1960 en 1990 verdubbelde het aantal huishoudens in Nederland, van ruim drie tot ruim zes miljoen. Het einde is nog niet in zicht: in 2010 zullen het er 7,4 miljoen zijn, dat wil zeggen een stijging van liefst twintig procent ten opzichte van 1990. De huishoudens worden kleiner, maar het zijn er wel steeds meer; ook de woningen, en daarmee het beslag dat ze leggen op de beschikbare ruimte, worden groter. Er wordt dan ook steeds vaker geëxperimenteerd met hoge dichtheden, op de Vinex-locaties maar ook in uitbreidingswijken als Nieuw-Sloten bij Amsterdam. Voor de Haagse wijk Molensloot ontwierp het jonge bureau MVRDV 140 'patiowoningen' in de vorm van een tapijt: lange, smalle huizen met één verdieping, zonder tuinen of binnenhoven maar met ieder een verhoogd terras en een deur aan de straat. Hoge dichtheid hoeft overigens niet direct tot hoogbouw of krapte te leiden: ook de Amsterdamse Concertgebouwbuurt heeft een dichtheid van honderd grote woningen per hectare.

Dat neemt niet weg dat ruim de helft van de 'woonconsumenten' gewoon een eengezinswoning met een kap en een tuin wil. In het rapport 'Wonen na 2000' wees de Nationale Woningraad in nette bewoordingen op deze discrepantie: “De gevolgen van het beleid voor de woningmarkt lijken zich niet steeds goed te verdragen met de gesignaleerde woonwensen.” In het slechtste geval worden de Vinex-locaties vlees noch vis en is uiteindelijk niemand echt tevreden: niet degene die in een ruime, rustige buitenwijk had willen wonen, maar ook niet degene die een hang heeft naar de sfeer van de stad.

Nieuwe stad

In een vol land als Nederland gaat de discussie over het huis van de toekomst niet alleen over de uitrusting van het huis zelf, maar al gauw over de plek waar het komt te staan. Architecten proberen niet alleen de woningen maar ook de wijken een eigen karakter te geven. Op drie kunstmatige eilanden in het oostelijk havengebied van Amsterdam komen nieuwe woongebieden met iedereen een uitgesproken karakter: het KNSM-eiland met brede straten en grote gebouwen, het Java-eiland waar een hedendaagse grachtenstructuur wordt aangelegd, en Borneo/Sporenburg met een combinatie van patiowoningen in hoge dichtheden en op scharnierpunten grote markante gebouwen.

Op de Vinex-locatie Driel-Oost, ten zuiden van Arnhem, probeert Kees Christiaanse de woningbouw te verweven met het landschap. “In plaats van al het bestaande groen weg te halen en er parken, bermen, sportvelden en speelplaatsen op terug te bouwen, laten we het Betuwe-landschap zo veel mogelijk intact. Dat worden eilanden van woningen tussen het gras, de populieren en de knotwilgen.” Voor een nieuwe wijk van duizend woningen ten noordwesten van Groningen heeft Max1, het jonge bureau voor architectuur en stedebouw van Rients Dijkstra en Rianne Makkink, voorgesteld de verkaveling van het weidelandschap te handhaven en iedere 'weide' een eigen karakter te geven. In het 'Spaghetti-village' zijn de kavels niet vierkant maar lang en smal, waardoor de woningen als confetti over de weide lijken uitgestrooid. De 'car-park' straat is speciaal voor autoliefhebbers die hun auto op een podium voor de deur kunnen parkeren, terwijl in de 'blue street' er juist alleen maar groen is tussen de huizen en helemaal geen verharding.

Max1 heeft ook het ontwerp gemaakt voor een hele nieuwe stad, Leidsche Rijn, tussen Vleuten-De Meern en Utrecht. Met 25 vierkante kilometer is dit de grootste Vinex-locatie, die met dertigduizend woningen tegen 2015 een stad ter grootte van Delft moet worden. Hoe regisseer je zo'n bouwopgave, hoe voorkom je een dodelijke monotonie als zo'n grote stad geen tijd krijgt om te groeien, maar in één keer wordt bedacht en gebouwd? Volgens Max1 is het in dit tijdsgewricht juist goed om in een grote greep te plannen en te ontwerpen. Dijkstra: “Ons masterplan is niet bedacht in termen van rooilijnen en straatbreedtes, maar in verschillen van karakter en sfeer. Wat wij in dit stadium ontwerpen is niet hoe het eruit ziet, maar wat er waar gebeurt. De grootte van het gebied is een voordeel: je kunt de verschillen groot maken en daarmee voorkomen dat de woningbouw overal gelijkmatig en dus monotoon wordt.

“Het feit dat het om zo'n groot aantal woningen en zo'n groot gebied gaat, geven dat plan politiek gewicht. Voor 30.000 woningen krijg je dingen voor elkaar die nooit zouden lukken voor een wijkje van zeg maar 500 huisjes. Zo kan er bijvoorbeeld een Centraal Park in Leidsche Rijn komen omdat het politiek haalbaar wordt om de tuinbouw te verplaatsen. Ook essentieel voor het plan is de overkapping van een twee kilometer lang stuk van de A2, een van de drukste snelwegen van Nederland. Zonder overkapping zit je vanwege de geluidshinder vast óf aan gigantische geluidsschermen, die een enorm obstakel vormen in het landschap, of aan een brede lege strook die vervolgens dichtslibt met matige restfuncties. Zo ontstond het idee om dat deel van de A2 in een 'holle dijk' te stoppen, dat wil zeggen half verzonken. Daar bovenop kun je dan een park aanleggen, en ernaast kun je bouwen. Zonder die overkapping van de weg ben je gedwongen alle woningbouw elders in het plan te concentreren, en dan wordt het pas echt moeilijk om de monotonie te voorkomen. Maar het belang en de omvang van deze plek stelt ons in staat om hiermee naar het rijk te stappen. Het rijk wil immers ook niet dat de stedebouw door de infrastructuur wordt bepaald, en evenmin dat er allemaal losse uitbreidinkjes als satellieten rond de steden ontstaan.”

Nieuw land

De schijnbare onverzadigbare behoefte aan woningen doet nieuwe landwinningsplannen ontstaan. Nederland heeft onlangs Israel beloofd de woningnood daar te helpen leningen door het aanleggen van kunstmatige eilandjes voor de Middellandse Zee-kust. Deze zomer beslist de Amsterdamse gemeenteraad over een soortgelijk plan: in het IJmeer zouden er dan zes eilanden worden aangelegd voor de bouw van 'IJburg', een uitbreidingswijk met achttienduizend woningen.

Er ligt ook een voorstel om tussen Den Haag en Hoek van Holland een nieuwe strook kust aan Nederland toe te voegen. Een van de hartstochtelijke pleitbezorgers van dit plan, waarvoor de haalbaarheidsstudie onlangs is gepresenteerd, is J. Zegering Hadders, general manager corporate affairs & strategy bij de ING Bank, een van de grootste financiers van infrastructurele werken in Nederland. “Een jaar of twintig geleden kwam als het 'Plan-Waterman' het idee om de kust met zandspuiting te verlengen de zee in. Nu heeft stedebouwkundige Ashok Bhalotra van Kuiper Compagnons een plan uitgewerkt voor de 'Kustlocatie' waarbij een hele nieuwe strook wordt aangelegd, gescheiden van het oude land door een binnenmeer. Die strook biedt plaats aan recreatie, werken en wonen, met een infrastructuur die vanuit Den Haag doorloopt.” Op de kustlocatie zouden acht woonkernen verrijzen, die in de haalbaarheidsstudie met dromerige namen worden getooid als Zeestad-Buiten, Zeestad-Binnen, Zonnestad en de Lagunedorpen. Deze zouden variëren in grootte tussen de zes- en de duizend woningen - genoeg om te differentiëren maar ook genoeg om de Kustlocatie een eigen apparaat van scholen en winkels te laten dragen. Voor de werkgelegenheid is er een ideale verbinding met Den Haag en Rotterdam, met een systeem van shuttles boven de grond en een snelweg die deels in caissons wordt verzonken.

Het klinkt misschien even utopisch als futuristisch, maar één ding weet Zegering Hadders met zekerheid: “Dit is een serieuze verstedelijkingsoptie voor de 21ste eeuw. Hiervoor krijg je meer de handen op elkaar dan voor de toevoeging van het zoveelste huisje aan een willekeurige buitenwijk.”

    • Tracy Metz