Hoogbouw

CAROLINE MIEROP & GEORGES BINDER: Skyscrapers. Higher and higher

224 pagina's, geïll, Editions Norma 1995, ƒ 119,50 (distributie: Architectura & Natura, Amsterdam).

Jean-Paul Sartre schreef eens dat de wolkenkrabber 'de architectuur van de toekomst (was), net zoals de bioscoop de kunst van de toekomst en jazz de muziek van de toekomst dat is'. Het illustreert met welke hooggespannen verwachtingen de ontwikkeling van de torenflats in de jaren twintig werd gevolgd.

Het Home Insurance Building in Chicago, dat in 1884 gereed kwam, staat in het algemeen bekend als de eerste wolkenkrabber. Wie nu een afbeelding van het gebouw ziet zal er nauwelijks van onder de indruk raken, het gebouw telt nog geen tien verdiepingen en de vierkante, lompe vorm doet het hoogte-effect te niet. Bijzonder was echter dat het kantoor als eerste commercieel gebouw was uitgerust met een lift, terwijl het ook een unicum was dat een stalen frame het metselwerk ondersteunde.

De ontwikkeling van wolkenkrabbers raakte in een stroomversnelling toen in 1922 de krant The Chicago Tribune een wedstrijd uitschreef voor het ontwerp van haar nieuwe hoofdkantoor. De deelnemers hoefden zich over de financiële kant van het ontwerp geen zorgen te maken, de enige eis was dat het ontwerp 'het mooiste en meest aparte kantoorgebouw ter wereld' zou opleveren. De 236 inzendingen die bij de jury binnenkwamen, zochten het vooral in de hoogte. Winnaar werd het Amerikaanse architectenduo Raymond Hood en John Mead Howells met een Gothisch aandoende toren met schraagpijlers. De winnaar van de tweede prijs, de uit Finland afkomstige Eliel Saarinen, kreeg naderhand vèrgaande invloed op de Amerikaanse architectuur.

Zeker de afgelopen decennia lijken de architecten te wedijveren om het hoogste gebouw ter wereld op hun naam te zetten. Gold het Empire State Building met 381 meter jarenlang als hoogste gebouw ter wereld, in 1972 verrees het Newyorkse World Trade Center met 417 meter, twee jaar later gevolgd door de Sears Tower in Chicago met 443 meter. Europa bleef ver achter, rond 1947 begon de constructie van de 104 meter hoge torenflat van Amiens, dat ruim tien jaar het hoogste gebouw van Europa zou blijven. In de top honderd van de hoogste gebouwen staat momenteel als eerste Europese stad Frankfurt op de 49ste plaats vermeld, met de 259 meter hoge Commerzbank.

Hoe hoog er gebouwd kon worden was sterk afhankelijk van de stand van de techniek. Vooral wegens de kracht van de wind zou een gemetseld gebouw met stalen framewerk hooguit twintig verdiepingen kunnen hebben, een stalen constructie voorzien van een dragende kern zou 60 verdiepingen kunnen bevatten. In de jaren zestig ontstond het idee om nog hogere torens te bouwen waarbij de buitenmuren de draagkracht leveren. Het bekendste voorbeeld van een dergelijke 'buis'-constructie is het World Trade Center in New York.

Toch zou het niet juist zijn de geschiedenis van de hoogbouw uitsluitend terug te voeren op de technologische ontwikkeling. Daarvoor, zo schrijven Carolien Mierop en Georges Binder in hun schitterend geïllustreerde Skyscrapers, toont de geschiedenis te veel contradicties.

De omvang van de wolkenkrabber wordt bijvoorbeeld ook beperkt door de liften. Hoe hoger het gebouw, hoe meer mensen in en uit gaan en hoe meer liften er nodig zijn. Zo telt het Empire State Building met zijn 102 verdiepingen 74 liften, die dertig procent van het vloeroppervlak in beslag nemen. Mogelijke oplossingen voor deze belemmering zijn dubbeldeks liften en een systeem waarbij voortdurend overgestapt moet worden op 'lokale' liften die elk slechts een aantal verdiepingen bedienen.

Inmiddels is de wolkenkrabber allang geen uitsluitend Amerikaans verschijnsel meer. De opvallendste torenflats zijn te vinden in ontwikkelingslanden, zoals in Maleisië, waar de Petronas torens momenteel in aanbouw zijn, die met 450 meter de Sears toren uit Chicago in hoogte zullen verslaan. “Dit zal Kuala Lumpur in beeld brengen”, aldus één van de architecten, waarmee hij onderstreept hoezeer dergelijke torens bijdragen tot het imago van de stad.

Hoe fascinerend de ontwikkeling van de verticaal groeiende steden ook beschreven is, de auteurs concentreren zich wel heel eenzijdig op de architectonische kant. De vraag hoe de wolkenkrabber het leven in de directe omgeving beïnvloedt komt bijvoorbeeld nauwelijks aan bod. Slechts in het geval van de Petronas Towers vragen de auteurs zich af hoe de 60.000 werknemers het gebouw dagelijks zullen moeten bereiken. Het zou interessant zijn meer te weten over de economische achtergrond die aan de verticale bouwwijze ten grondslag ligt. Lost de wolkenkrabber het probleem van schaarse ruimte op, kan iedereen psychologisch tegen het verblijf in een heen en weer zwabberend gebouw, dwingt de wolkenkrabber niet tot steeds grotere afstanden tussen wonen en werken? En waarom niet meer verteld over de protesten die parallel aan de ontwikkeling van de wolkenkrabber opstaken en die nu slechts even gememoreerd worden?

    • Rijkert Knoppers