Het Indiaanse hart van Suriname

ALBERT HELMAN: Kroniek van Eldorado

Boek I: 'Folteraars over en weer'. Boek II: 'Gefolterden zonder verweer'. Met tijdtafels, personenregisters en literatuurlijst

resp. 567 en 439 blz., Globe pockets 32 en 33, In de Knipscheer 1995, ƒ 15,- per deel

“Ik heb U gezegd, lezer, dat mijn verhaal eentonig is.” Dit refrein uit Multatuli's even beroemde als schrijnende verhaal over Saidjah en Adinda in de Max Havelaar zou heel wel als motto hebben kunnen dienen voor het magnum opus van de nestor van onze literatuur, Albert Helman (1903), Kroniek van Eldorado.

Kortgeleden verscheen deze tot medio vorig jaar bijgewerkte heruitgave in twee omvangrijke pockets van zijn in 1983 gepubliceerde De foltering van Eldorado. Dit werk kreeg toen ten onrechte niet de aandacht die het verdient. Een herkansing is dan ook ten volle verantwoord. Kroniek van Eldorado biedt de totale geschiedenis (ecologisch, geologisch, geografisch, natuurkundig, etnisch-antropologisch, economisch, staatkundig, politiek) van Groot-Guyana, het gebied dat ruwweg tussen de reuzenrivieren de Orinoco en de Amazone ligt en dat heden ten dage Braziliaans Guyana, Frans Guyana, Suriname, (het voormalig Brits-) Guyana en Venezolaans Guyana omvat.

Voor de komst van de blanke 'folteraars' was het een maagdelijk gebied, al duizenden jaren bewoond door een groot aantal Indianenstammen en -stammetjes. Men stelle zich die prehistorie overigens niet als een idylle voor. Krijgszuchtige volken, met name de Carai of Cariben (hun naam is de oorsprong van ons 'kannibaal') bevochten op leven en dood elkaar en de meer vredelievende stammen, waarvoor de Arawak model staan. Een groot deel van de neo-Indiaanse volken in de Guyana's heeft tot in de eerste helft van onze eeuw nog in het Stenen Tijdperk geleefd. Degenen die gedurende de laatste vijf eeuwen werden blootgesteld aan de uit het Noorden, Westen en Zuiden oprukkende westerse invloeden - van beschaving mag hier niet gesproken worden - zijn het slachtoffer geworden van onophoudelijke directe en indirecte (door verwoesting van hun leefgebied) genocide. Tot op heden.

Een belangrijke impuls voor de verkenning en verovering van de Guyana's was de legende van de vergulde, later - in de fantasie van de westerse avonturiers - gouden man, El Dorado, wiens gebied ergens in de binnenlanden overvloedige goudvoorraden zou bezitten. Generaties van veroveraars en goudzoekers, zelf gefolterd door de goudkoorts, hebben de oorspronkelijke bewoners in hun onzalige en vruchteloze 'queeste' op onmenselijke wijze gefolterd.

Denk evenwel niet dat Helman vooral over het lot van de Indianen heeft geschreven. Alle bevolkingsgroepen, de blanke kolonisten, de joden, de negerslaven en hun afstammelingen en in de latere tijd de hindostanen, Javanen en Chinezen, vinden hun activiteiten en lotgevallen uitvoerig beschreven, tot op de dag van vandaag. Dat maakt zijn werk vooral voor degenen die bij ons met Suriname van doen hebben tot verplichte lectuur. De tegenstellingen die nu de interne politiek daar beheersen, zijn niet te begrijpen zonder kennis van hun historische wortels. Het is een gruwelijke geschiedenis van onophoudelijke onderdrukking, willekeur en wreedheid tegenover de oorspronkelijke bewoners en de uit Afrika aangevoerde slaven. De meeste kolonisten behandelden hun slaven slechter dan hun vee. Niet een zwarte bladzij, maar een dik zwartboek in onze geschiedenis en in die van van de andere kolonisatoren.

Ingehouden woede

Dat Helmans sympathie onverholen uitgaat naar de Indianen is begrijpelijk. Niet alleen zijn zij praktisch weerloos tegen de permanente bedreiging door de westerse 'beschaving', hij is zelf half-Indiaans (zie zijn prachtige Hoofden van de Oayapok uit 1984). Dat geeft hem meer recht van spreken dan wie dan ook, want hij kent de Guyana's van binnen uit.

Dat is ook een extra rechtvaardiging voor de ingehouden woede waarmee hij schrijft en die een enkele keer door het oppervlak van het verhaal heen breekt. Een woede die zich in het bijzonder ontlaadt tegenover het wanbeheer en de systematische verwaarlozing van zijn geboorteland van de kant van de Nederlandse overheden door de eeuwen heen, tot en met de opgedrongen onafhankelijkheid in 1975. Overheden die zelfs in de betrekkelijk lange periode waarin het land dank zij de suiker profijt opleverde, niets voor de verzachting van het lot van de oorspronkelijke bewoners en de slaven deden. Misschien had de schrijver hier vergelijkingen kunnen maken met het Nederlandse koloniale bewind in het oneindig veel rijkere Nederlands-Indië. Niet om het wanbeheer in West-Indië te vergoelijken, maar om het in zijn bredere context te plaatsen. Albert Helman behoort dan ook niet thuis in het rijtje 'nestbevuilers', de titel van een boek van Ewald Vanvugt over critici van ons koloniale bewind in de Oost en de West, dat binnenkort verschijnt. Hij bevuilt niet zijn eigen nest, maar protesteert met kracht tegen de bevuiling van zijn 'nest' door anderen.

Een verwijt zou ik niet de schrijver, maar de uitgever willen maken. Het is onbegrijpelijk dat een zo rijk, zonder overdrijving encyclopedisch, werk slechts van twee miezerige kaartjes is voorzien, bovendien met Engelse tekst, die voor Helmans honderden geografische en etnische verwijzingen van generlei waarde zijn. Kroniek van Eldorado is niet alleen een magistraal wetenschappelijk standaardwerk, het is ook een gedreven boek, in de rijke literaire stijl die we van Helman gewend zijn. Met dit boek hebben de Guyana's hun eigen Multatuli gevonden.