Het absolute eten

Het gebeurde een jaar of dertig geleden. Er kwam een vliegtuig laag over. Ik hoor tot de generatie die dan nog altijd even naar boven kijkt. Zo ook toen, vooral omdat ik het geluid niet kon thuisbrengen: een mengsel van fluiten en ronken. Ik was net een seconde te laat, vroeg aan mijn zoon van zes: Was het er een met propellers? Nee, zei hij, het was een gewone.

Zo'n antwoord geeft aan dat er weer eens een breukvlak in de geschiedenis is ontstaan. Aan Bart Tromp, columnist van Het Parool, bewaar ik een aardige herinnering. Toen ik eens iets te vieren had heeft hij mij een oud boekje gegeven met de maatschetsen van belangrijke vliegtuigen en een opdracht: voor mij dus, 'die ze nog heeft zien vliegen'. In de column die hij deze week over het drama van Fokker heeft geschreven, herinnert hij zich dat hij het lesvliegtuig de S 11 uit een kartonnen bouwplaat knipte en aan elkaar plakte. Er zijn heel wat vooraanstaande zowel als achtergebleven Nederlanders die over de verleiding en de straf van de bouwplaten, dat hels geknutsel dat altijd in een misgeboorte eindigde, een hoofdstukje van hun memoires kunnen vullen.

Voor de oorlog had je onder de Nederlandse jongens een Fokker-partij en een Koolhoven-partij. Nu weten de meesten niet eens meer dat er een Koolhoven heeft bestaan. Dat was de andere Nederlandse vliegtuigfabriek, van Frits Koolhoven, op het Rotterdamse vliegveld Waalhaven. Daar werd het hypermoderne en gevreesde jachtvliegtuig de FK 58 gebouwd. Frankrijk had er vijftig besteld. Een paar hebben er nog meegevochten in juni 1940; de rest is spoorloos in de baaierd van de nederlaag verdwenen. De Fokker-partij kon twee prachtstukken in de lucht brengen: het jachtvliegtuig D XXI en de legendarische G 1, bijgenaamd De Maaier. Als een van de weinige jongens uit die tijd - misschien ben ik wel één van de twee - heb ik de kopie van een testrapport, geschreven door de Finse piloot kapitein O. Erhnrooth nadat hij op 21 februari 1939 voor de Finse luchtmacht een proefvlucht van drieëneenhalf uur had gemaakt. Alle capriolen heeft hij ermee uitgevoerd. Een uitstekend toestel, was zijn conclusie, vooral in duikvluchten.

Over Fokker, Koolhoven, vliegtuigen in het algemeen, kan ik nog wel een paar pagina's uitpakken, louter voor mijn eigen plezier. Maar een krant is om te worden gelezen; het schrijven erin is daaraan ondergeschikt. In dit opzicht is er een vage overeenkomst met de vliegtuigen ontstaan. Vroeger waren ze om naar te kijken en er graag zelf een te willen hebben. Nu zijn er om in te zitten en om zo weinig mogelijk geradbraakt zo snel mogelijk van A naar B te komen. Daarom bedwing ik mijn lust tot mededeelzaamheid.

Nog één ding. De misère bij Fokker is al begonnen toen Albert Plesman, directeur van de KLM, besloot niet meer de houten vliegtuigen van deze fabriek te kopen, maar de metalen DC 2 en DC 3 van Douglas. Hij versmaadde de geweldige viermotorige F 36; hij is zo verstandig geweest zich de Uiver aan te schaffen. Daarmee is toen een ander hoofdstuk in de vaderlandse geschiedenis begonnen. Het zou me niet verbazen als we daarvan nu, zestig jaar later, het slot beleven.

Andere problemen vragen niet minder de aandacht en dan vooral het vraagstuk van de lichamelijke gezondheid. Het is alweer een poos geleden, misschien wel in de tijd van de Uiver, dat men erin was geslaagd, cafeïnevrije koffie te ontwikkelen, de dékaf of diekef die toen bij ons Koffie Hag heette. 'Koffie Hag màg!' Wie het spul dronk kon, terwijl hij zijn hart spaarde, zijn heraldische kennis op peil houden want bij ieder pakje Hag zat een 'wapenzegel'. Dan kwam natuurlijk het album waar je de verzameling in moest plakken. Bouwplaten, de albums van Verkade en van koffie Hag: in de jaren dertig heeft de lijm een enorme rol in Nederland gespeeld, Gluton van Talens.

Nu zijn Amerikaanse geleerden erin geslaagd, de cafeïnevrije koffie ook vetvrij te maken. Vetvrije koffie! Het lijkt weer zo'n kleine schrede voorwaarts maar het is een sprong voor de mensheid. Je krijgt weleens ergens een kop koffie ingeschonken en als je goed kijkt zie je dat op het vloeistofoppervlak kleine zelfstandige vetmeertjes drijven, net als op de bouillon. Het is me een keer overkomen toen ik bij Boer Koekkoek in Bennekom een kop koffie kreeg. Met de vetvrije koffie hoeft dat niet meer voor te komen.

Ook deze ontwikkeling nadert haar eindpunt. Nadat onze landgenoot Kamerlingh Onnes indertijd het absolute nulpunt zeer dicht heeft benaderd - bijna min 273 graden - zijn nu Amerikaanse geleerden erin geslaagd, met het vetvrije vet de absolute magerte tastbaar en dus bereikbaar te maken. Zeker, alles wat Absoluut is heeft behalve zijn aantrekkingskracht zijn gevaren. Uit de geschiedenis weten we dat de magnetische kracht van het Absolute maar al te vaak de angst voor de gevaren overtreft. Vooral in de Verenigde Staten maar ook in toenemende mate hier zie je een drang tot het absolute eten die dan wordt bevredigd door het mateloos verslinden van spul uit bolle plastic zakken, de wokkels en snokkels, drups, allemaal vet, vol cholesterol, dus vacuüm verpakte hartaanvallen.

Het gehoor geven aan de drang tot absoluut eten wordt tot dusver beperkt doordat er grenzen zijn aan de lichamelijke omvang van de mens, en natuurlijk door deze daarmee verband houdende gevaren. Als het vetvrije vet zijn definitieve vormen heeft gevonden in de nieuwe zoute snoep, staat dus niets meer het absolute eten, het eindeloze graaien in plastic zakken met een oneindige variatie van wokkels in de weg. 'Is er vet na de dood?' heeft Wim T. Schippers zich eens afgevraagd. Dat hoeft nu niet meer.

    • S. Montag