Grijze generaties wentelen consequent bezuinigingen af op de jongeren; De ballingen van de verzorgingsstaat

De rationalisering van de verzorgingsstaat en het bedrijfsleven gaanop kosten van de jongere generaties. Voor hen zijn de lease-auto, de aftrekbare hypotheekrente, de AOW, de Vut, de 36-urige werkweek niet meer vanzelfsprekend. Het zijn verworven rechten van de oudere generatie, en ze zijn bijna heilig. Maar de jongeren zijn het afwentelen moe: de gefêteerde ouderen wacht een generatieconflict.

De voetbaltrainer Leo Beenhakker en de oprichter van het Algemeen Ouderen Verbond (AOV), Martin Batenburg, hebben weinig gemeen. Maar beiden voelen de onderbuik van de maatschappij goed aan.

In 1989 introduceerde Beenhakker (54), destijds trainer van een nieuwe lichting jeugdige Ajax-voetballers, de term 'patatgeneratie'. Materiële en financiële welstand maakte de aankomende generatie verwend en gemakzuchtig, zei Beenhakker tegen Voetbal International. Het ontbrak hen aan de mentale hardheid om hun mogelijkheden te benutten. Jongeren hebben het te goed, was zijn opvatting, en hij stond niet alleen. Toen eind jaren tachtig de bijstand voor zestien- en zeventienjarigen werd afgeschaft, stak de gezaghebbende econoom D. Wolfson zijn goedkeuring niet onder stoelen of banken: “Jongeren zijn te lang in de watten gelegd”.

Batenburg was de man die met de oprichting van het AOV in 1994 een nieuwe electorale markt aanboorde. Het feit dat volgens het CDA een verlaging van de Algemene Ouderdomswet (AOW) tot de mogelijkheden behoorde, leidde ertoe dat de grijze golf zich als pressiegroep manifesteerde. De protestmarsen van verontwaardigde vijftig-plussers - die en passantbedongen dat ze geen bejaarden meer werden genoemd, maar ouderen - kwamen van Haarlem tot Eindhoven op gang.

In de laatste stad stond Batenburg op, een gepensioneerde oud-medewerker van Philips. Hij presenteerde een beeld van ouderen als onderbedeelde en geknechte groep, waarvan de politiek nu zelfs het laatste overgebleven recht, de waardevaste 65 plus-uitkering, wilde aanpakken. In brede kring vond Batenburg gehoor. “Men moet niet vergeten dat 3,8 miljoen mensen boven de 55 jaar dit land [tijdens de wederopbouw] uit het moeras hebben getrokken. Dus daar mag je niet nog eens geld gaan weghalen”, zei B. Leerkes in maart 1994. Hij was een van de zeven leden van de ouderenpartijen die enkele maanden later in de Tweede Kamer werden gekozen.

Beide beelden - de patatgeneratie van Beenhakker en de onderbedeelde ouderen van Batenburg - kunnen niet alleen op een hoge waardering van het publiek rekenen. Ook in de politiek fungeren ze al zo'n vijftien jaar als uitgangspunt voor bezuinigingen op publieke voorzieningen, zo blijkt uit onderzoeken die de laatste jaren werd gepubliceerd. Effect is dat de overheid steeds minder uitgaven voor jonge mensen reserveert, terwijl die voor ouderen nog altijd groeien.

H. van Ewijk van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) schreef er vorig jaar een boek over, 'De Verschuiving - de veranderde status van jongeren in de jaren tachtig'. Volgens hem zijn de laatste vijftien jaar niet in de eerste plaats de ouderen geknecht. De rekening voor de sanering van de verzorgingsstaat ging vrijwel volledig naar de jonge generaties. “De verworven rechten van de generaties van voor 1970, de mensen in machtsposities, zijn vrijwel intact gebleven”, aldus Van Ewijk. “Daar tegenover heeft er een overreactie plaats gehad op de doorgeschoten rechten die jongeren in de jaren zestig en zeventig hadden. Er is vrijwel niets van overgebleven.”

Een ijzige zondag, januari 1996. Een vrijstaand huis in een buitenwijk van Den Bosch. Het gezin Both - vader (46), moeder (47), dochter (17), zoon (13) - is uitgenodigd te praten over de verworven rechten van de ouders en de groeiende plichten van de kinderen. Vader Hans en moeder Hennie werken allebei en rekenen zich tot de protestgeneratie (zie kader). Hij is leraar wiskunde en gymnastiek op een scholengemeenschap voor VWO, Havo en Mavo, zij psychiatrisch verpleegkundige en therapeute. Hun gezamenlijk inkomen is goed, zeggen ze, financiële zorgen zijn er niet. De kinderen zijn schoolgaand. Dochter Hiske doet Havo, zoon Hadewyg Atheneum.

Hoezeer zijn de ouders gewend aan hun verworven rechten?

VADER: “Afschaffing of vermindering van de hypotheekrente-aftrek zou voor ons een forse schadepost zijn. Wij kunnen het wel hebben, maar rechtvaardig zou ik het niet vinden. Ik heb deze maatschappij niet gecreëerd.” “De Vut? Het onderwijs is te zwaar om die te schrappen. Mensen van boven de 55 in mijn vak zijn echt òp. En de kansen voor jonge leraren worden er nog slechter door. Het bedje van die mensen is toch al minder gespreid dan toen ik begon. Ik studeerde en wist dat ik daarna onmiddellijk aan het werk kon. Nu zie ik dat jonge leraren jaren moeten wachten voordat ze een volledige baan krijgen. En als ze binnen zijn, hebben ze nog geen zekerheid door het 'lifo' - last in, first out.” MOEDER: “Het is ondenkbaar dat ik tot mijn 62ste in de psychiatrie werk. Dat houd ik nooit vol.” ZOON: “Wat een saaie onderwerpen zeg.” VADER: “En de AOW is écht een verworven recht, vind ik. Daarop bezuinigen zou ik amoreel vinden.” MOEDER: “Mijn man is ernstig ziek geweest. Daarna heb ik besloten dat ik altijd zelf blijf verdienen. Ik kan op niemand rekenen. Niet op mijn ouders, niet op mijn man - en op mijn kinderen wil ik niet rekenen.” VADER: “De generaties onder ons zijn wel een stuk slechter af. In de jaren tachtig hebben we in het onderwijs de 'Hos'-ronde gehad, die erop neerkwam dat aankomende leraren voor hetzelfde werk vele honderden guldens minder kregen dan wij. Dat systeem mag je van mij ter discussie stellen. Ik heb ook mee gedemonstreerd toen de jonge leraren een paar jaar geleden in verzet gingen. Het lifo mag van mij ook weg. Het onderwijzend personeel vergrijst omdat alle zittende krachten in de eerste plaats aan zichzelf denken. De gemiddelde leeftijd op onze school is nu al 44. Leraren sluiten steeds minder bij kinderen aan. “Ik zag bij de invoering van de 'Hos'-ronde meteen dat het voor mij wel goed zat en dan reageer je toch anders. Op een vergadering heb ik geroepen dat het onrechtvaardig was geloof ik, maar toen het gewoon doorging heb ik me er gemakkelijk bij neergelegd.”

De 'Hos'-ronde, ingevoerd in 1985, was een stil compromis van een soort dat zich vaak voordoet: met instemming van de vakbonden kreeg de zittende groep bescherming en werden de bezuinigingen afgewenteld op de generaties die nog geen rechten hadden verworven. Hoe hardnekkig dat uitwerkt, merkte de actiegroep die zich in 1992 teweer stelde tegen de financiële wanverhouding tussen, in onderwijstaal, 'voor-Hossers' en 'na-Hossers'. S. de Haan van de actiegroep die voor de 'na-Hossers' opkwam: “De onderwijsbonden hadden geen idéé hoe groot de verschillen waren.” Zijn actiegroep was overigens niet zonder succes, zij het dat volgens de salarisschalen een 'voor-Hosser' op het laatst van zijn loopbaan nog altijd 1200 gulden bruto meer ontvangt dan een 'na-Hosser' in dezelfde positie. “Maar voor 1992 was het nog veel erger”, zegt De Haan.

Het onderwijs, de grootste uitgavenpost van de overheid, werd in de jaren tachtig in al zijn geledingen aan steeds nieuwe bezuinigingen onderworpen. Maar niet ten koste van de oudere generaties. Het academisch personeel dat vòòr de jaren tachtig een baan had, werd nauwelijks aangetast in positie of salariëring. Maar wie na 1986 een academische loopbaan wilde, kon dat in de meeste gevallen alleen door een baan als 'aio' (assistent-in-opleiding) te bemachtigen. Eis was promotie binnen vier jaar, zonder garantie op een later dienstverband en tegen een aanvangssalaris gelijk aan het minimumloon. Later werd de 'twaio' (tweejarige aio) in het leven geroepen, die onderzoek doet zonder kans om te promoveren.

Aldus deed zich terloops een tweedeling in het academische milieu voor, met leeftijd als enige norm voor ongelijkheid. Er zijn 25-jarige gepromoveerden met een uitkering, en veertigers en vijftigers die in twintig jaar niet in staat waren te promoveren maar een salaris van tweemaal modaal ontvangen. “Het middenkader op de universiteiten zit rotsvast”, zegt R. Doeleman (27), voorzitter van het 'overleg' dat verschillende categorieën aio's verenigt. “Dus moeten er iedere keer nieuwe varianten worden bedacht om op jonge onderzoekers te bezuinigen.” Het nieuwste middel om de oudere generaties te beschermen heet 'promotiebeurs' en biedt aankomende promovendi dezelfde mogelijkheden als de aio. Maar het inkomen is nog lager dan dat van de aio, en na de promotie heeft de 'bursaal' geen recht op wachtgeld waar de aio dat wel heeft. “De druk op universiteiten om wachtgeld te betalen aan het afgevloeide personeel wordt opnieuw betaald door de aankomende generatie”, zegt Doeleman.

Na 1986 ging ook het stelsel van studiebeurzen op de schop. De renteloze lening, waarvan studenten sinds de jaren zestig gebruik konden maken, werd vervangen voor een rentedragende. De beurs werd diverse keren verlaagd en het collegegeld verhoogd, de studieduur werd beperkt en intussen werd het recht op een beurs afhankelijk gemaakt van prestaties en studietempo. Van de 3,5 miljard die studenten totaal in 1989 nog aan studiebeurzen ontvingen, zal volgens ramingen in 1998 nog 0,8 miljard over zijn.

MOEDER: “Ik hoorde Hiske en een paar vriendinnen laatst met elkaar praten over de studiebeurs die ze krijgen als ze achttien worden. Er gingen bedragen over tafel waarvan ik echt schrok: negentig gulden en 140 gulden in de maand. Negentig gulden!” VADER: “Onze kinderen hebben bijbaantjes. Ze staan 's morgens tussen vijf en zes op om de krant rond te brengen, ze passen op, ze wassen auto's. Ik deed vroeger alleen vakantiewerk als ik een nieuwe brommer wilde.” MOEDER: “Jij ging pas kranten rondbrengen toen je het geld van je beurs was kwijtgeraakt.” VADER: “Duizend gulden voorschot had ik opgehaald en ik kon het nergens meer vinden. Blut. Toen heb ik een paar weken kranten rond gebracht, totdat ik mijn anatomie-boek opensloeg en het briefje van duizend vond.” In de Haagse Trèveszaal, de vergaderkamer van de ministerraad, deed zich in 1983 een dramatisch moment voor. Het aantal werklozen schommelde rond het naoorlogse record van achthonderdduizend en daalde nauwelijks. Het eerste kabinet- Lubbers zag zich voor een prisoners dilemma geplaatst. Welk beleid ook werd toegepast, het was onmogelijk alle mensen die door de economische recessie geen werk hadden, onmiddellijk een uitzicht op een baan te bieden.

Vandaar dat Lubbers en de zijnen ervoor kozen de werkloosheid bij mensen van boven de dertig jaar aan te pakken. Consequentie was dat het kabinet moest vaststellen dat de jeugdwerkloosheid voor een goed deel in stand zou blijven, zo bleek uit een geheime notitie die destijds uitlekte aan Vrij Nederland. “De overheid heeft de grens van de beleidsmogelijkheden bereikt”, stelde de notitie. “De jeugd kan niet meer het vertrouwen worden gegeven dat door inspanningen van de overheid een tastbare verbetering van de arbeidsmarktperspectieven voor de jeugd te bewerkstelligen is.”

De sociale regelingen voor jongeren werden vervolgens bijna allemaal geschrapt of geminimaliseerd. De bijstand voor zestien- en zeventienjarigen verdween, het minimumjeugdloon werd verscheidene keren verlaagd en de werking opgerekt tot mensen van 27, het recht op een uitkering voor werkloosheid werd verkleind en een aparte toelage voor zelfstandig wonende jongeren werd afgeschaft.

Intussen werd ook het uitkeringenstelsel voor oudere generaties gesaneerd. Maar de grootste bezuinigingen werden opnieuw gehaald door de kansen op een toekomstige sociale uitkering te verkleinen. Illustratief was de manier waarop PvdA en CDA in 1991 een bijna-val van het kabinet over bezuinigingen op de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid (WAO) oplosten. Bij de crisis-onderhandelingen over het zogenoemde 'bami-akkoord' ten huize van CDA-minister De Vries, viel de keuze op de 'nieuwe gevallen' als oplossing voor de coalitieproblemen. De 'oude gevallen', de mensen die al een uitkering hadden, konden zo voor een belangrijk deel worden gevrijwaard van de beoogde bezuinigingen. De jongere generaties, degenen die nog arbeidsongeschikt moeten worden, waren immers de gemakkelijkste groep om te treffen.

Dit type oplossingen is zo structureel toegepast dat het profijt dat jongere generaties hebben van sociale uitkeringen, zienderogen afneemt. Verdient de generatie van 1930 per gulden betaalde premie gemiddeld 91 cent via een beroep op sociale regelingen, voor de generatie van 1960 is dat nog 27 cent, zo leert het Sociaal en Cultureel Rapport van 1994. Over de generaties van 1970 en 1980 bestaan geen cijfers, maar duidelijk is dat hun profijt van de verzorgingsstaat nog verder zal afnemen.

De waardering van jongeren voor het uitkeringenstelsel neemt eveneens sterk af. Een vergelijking van de onderzoeksgegevens over de laatste twintig jaar leert volgens Q. Raaijmakers, hoofddocent jeugdstudies in Utrecht, dat jongeren tegenwoordig “meer economische ongelijkheid willen, minder bemoeienis van de staat, een hogere waardering voor verschillen in inkomen hebben en de rol van vakbonden steeds lager aanslaan”. De kans dat deze opvattingen beklijven is volgens hem groot. “Denkbeelden over economie veranderen na het vijftiende levensjaar bijna nooit substantieel.”

DOCHTER: “Ouderen krijgen een uitkering en hoeven er niets voor te doen. En overal hebben ze korting met hun 65-pluskaart.” ZOON: “Dan zeggen ze: daar hebben wij ons hele leven voor gewerkt. Maar dat moet toch iedereen, toch niet alleen de ouderen?” VADER: “Jonge mensen bouwen minder rechten op en dat speelt een rol, denk ik, als ze zich afzetten tegen ouderen. Ik merk het ook aan de leerlingen op school.” MOEDER: “Wat ook speelt is dat oudere mensen minder loyaal zijn tegenover jongeren. Die kinderen krijgen voortdurend te horen dat ze 'verwend' zijn. De oudere generaties zijn opgegroeid toen de voorzieningen werden opgebouwd en hebben er de voordelen van. Maar voor jongeren is alles onevenredig duur, niets komt ze nog aanwaaien, ze moeten overal zèlf voor zorgen - ze hebben het veel moeilijker dan het lijkt. Behalve dan op het materiële vlak.” VADER: “Het aanbod is zo groot, kinderen moeten erin meegaan. Er is geen ontkomen aan.” Steeds verder groeien de belangen van de oudere en de jonge generaties uit elkaar. Bij gebrek aan beurs en bijstand is de patatgeneratie massaal aan het (bij)klussen geslagen. Had twintig jaar geleden alleen een kleine groep van jongeren tussen de 12 en 24 een bijbaantje naast school of studie, nu is dat zeventig procent, zegt Raaijmakers. En recentelijk verruimde minister Melkert (sociale zaken) de mogelijkheden voor dertien- en veertienjarigen om betaalde bijbaantjes te verrichten. Volgens hem vooral om een al bestaande maar slecht zichtbare praktijk te legaliseren.

Intussen neemt de arbeidsdeelname van ouderen steeds verder af. Uit onderzoek blijkt dat in de leeftijd tussen 55 en 65 jaar nog slechts 26 procent betaald werd verricht, aldus K. Henkens, onderzoeker van het demografisch instituut Nidi. Volgens hem is dat vooral te wijten aan regelingen voor vervroegde uittreding en arbeidsongeschiktheid.

Het mes snijdt aan twee kanten. Het profijt van de verzorgingsstaat voor de materialistisch georiënteerde jongeren neemt af, maar hun bijdrage aan de arbeidsmarkt en dus het bruto nationaal produkt stijgt. Het profijt van de verzorgingsstaat voor ouderen stabiliseert zich, maar hun aandeel in de arbeidsmarkt en dus aan het nationaal produkt daalt.

“De spannendste vraag die eraan komt”, zegt Van Ewijk, “is of de protestgeneratie bereid is zijn positie op te geven. Zijn zij bereid hun verworven rechten - hun baan of hun inkomen of daar een deel van - in te leveren om jongeren de ruimte te geven die ze nodig hebben? Ik kan niet in de toekomst kijken, maar de voorwaarden voor een generatieconflict zijn er.”

DOCHTER: “Ik verdien met mijn baantjes dus zo'n 260 gulden per maand. Zak- en kleedgeld is 195 gulden. Ik maak het niet allemaal op, ik spaar.” ZOON: “Werk is bij mij 190 gulden denk ik. Zak- en kleedgeld 150. Sparen vind ik saai.” MOEDER: “Het kleedgeld voor hem is sinds kort. Kleren kopen moet-ie nog leren.” ZOON: “Ik vind het wel mooi zo. Ik heb lang niet altijd kleren nodig.” MOEDER: “Krijgt iedereen zoveel zakgeld als jullie?” DOCHTER: “Jawel.” ZOON: “Mwah. Hier die jongen in de buurt krijgt zestig gulden kleedgeld. Daar koop je dus echt geen Levi's van.” ZOON: “Niet alleen anderen zeggen dat wij verwend zijn. Jullie beginnen óók altijd dat we veel geld hebben.” MOEDER: “Altijd?” ZOON: “Dan heb ik zestien gulden verdiend met autowassen en zeg jij: tjongejonge. Maar dan heb ik wel mooi twee uur in de kou gestaan. Of toen ik een stereo voor mijn kamer had gekocht. Maar die heeft dus echt iederéén. En ik luister gewoon graag naar muziek. Dan is het niet zo stil.” VADER: “En de TV op je kamer heb je toch ook gekocht?” ZOON: “Die in de woonkamer is gewoon zielig klein.” Een verklaring voor het uitblijven van een openlijk generatieconflict was tot nu toe dat de schaarste aan banen de jongste generatie vooral in onderlinge concurrentie bracht. Jeugdwerkloosheid is er niet meer - de jonge werklozen van de jaren tachtig zijn de langdurig werklozen van nu - maar uitkeringen zijn er ook niet. De arbeidsplicht voor jongeren werd via de achterdeur ingevoerd. Zo kon de rationalisering van het bedrijfsleven in de tweede helft van de jaren tachtig voor een belangrijk deel worden afgedwongen door startende, jonge werknemers flexibele en kortlopende contracten aan te bieden. De uitzendbranche beleefde een enorme groei. Voor jonge werknemers werd job hopping even gewoon als het bezit van de lease-auto voor de ouderen.

Onderzoekers, vakbondsmensen en werkgevers hebben twee scenario's voor de nabije toekomst. Het ene gaat ervan uit dat de jonge generaties via de flexibilisering nog verder gekneveld worden door de oudere groepen. “Al die mooie verhalen over flexi-jongeren”, zegt Henkens van het Nidi, “zijn alleen maar de volgende stap in de afwenteling van ouderen op jongeren. Het verstoort de machtsbalans niet. De vergrijzing van de beroepsbevolking geeft de oudere generaties zoveel macht dat geen werkgever het zal aandurven hun belangen te attaqueren.”

Volgens Van Ewijk is het goed denkbaar dat oudere werknemers die worden gevraagd plaats te maken voor jongeren en 'vervroegd' uit te treden, zich net als in de Verenigde Staten zullen beroepen op 'leeftijdsdiscriminatie'. “Dan slaat de protestgeneratie de deur opnieuw dicht voor de jongeren. Ik kan me niet voorstellen dat het zonder reactie blijft.” Vijf jaar geleden kon ook niemand zich voorstellen dat de ouderenpartijen zeven zetels bij de Tweede Kamerverkiezingen konden halen, zegt Raaijmakers. “En de situatie van jongeren nu is zeer vergelijkbaar.”

Het andere scenario gaat uit van een meer pragmatische reactie van de jonge generaties. Vooral hoger opgeleide, getalenteerde jongeren blijken zo gewend te zijn geraakt aan het job hoppen dat het ideaal van een vaste baan hen niet langer aanspreekt. Ze eisen een flexibel contract. En ze eisen het geld dat ze waard zijn, onder het motto dat een inkomen afhankelijk moet zijn van hun marktwaarde, niet van hun leeftijd. “In de informatiseringsbranche zie je het vooral”, zegt M. Wigman van de vakbond voor hoger personeel VHP. “Mensen die geen belangstelling hebben voor sociale zekerheid, geen behoefte aan opbouw van een pensioen en alleen zeggen: dit is mijn prijs.”

Als deze - nog beperkt zichtbare - trend zich voortzet, zouden de gevolgen niet klein zijn. Het begrip 'anciënniteit', dat het salaris verhoogt naarmate het arbeidsverleden langer is, zou er door worden uitgehold. En dus de informele 'loonsolidariteit' die jonge werknemers met oudere tonen door te accepteren dat ouderen meer verdienen hoewel hun produktiviteit lager is. “Ik vind het een logische trend”, zegt Van Ewijk. “De huidige generatie jongeren groeit op met de wetenschap dat ze het zelf voor elkaar boksen. Hun ouders en hun grootouders hebben het pensioen geregeld, dus denken ze: er is geld zat. Zodra dat idee gedijt, zijn het de werkgevers en de oudere generaties die de prijs voor de flexibilisering betalen.”

DOCHTER: “Ik ben vorig jaar voor de Havo gezakt. Ineens ging het mis bij de examens. Waarom weet ik ook niet.” MOEDER: “Al die baantjes en ook nog studeren - te veel hooi op je vork, denk je niet?” DOCHTER: “Dat zeg jij, maar al mijn vriendinnen hebben bijbaantjes. In de supermarkt of oppassen of afwassen in een restaurant of ergens schoonmaken of een krantewijk.” VADER: “Onze kinderen maken de zoveelste versnelling van de maatschappij mee. Het tempo wordt opgeschroefd, de eisen worden hoger. Ik had vroeger niet zoveel verantwoordelijkheden met geld. Ik hoefde op de middelbare school geen weekplanning te maken. Er vindt een soort oververhitting plaats, denk ik wel eens. Jonge mensen kunnen zelden nog eens iets doen waarbij de verwachtingen niet hooggespannen zijn.” MOEDER: “Als kinderen onderuit gaan is de reactie: had je maar minder moeten werken, had je het maar rustiger aan moeten doen. Ja, denk ik dan, maar dat script hebben wij geschreven.”

Generaties van verlangen

Van de Utrechtse hoogleraar sociologie H. Becker is de theorie afkomstig dat de kansen van het individu afhankelijk zijn van de generatie waartoe hij behoort. In zijn 'Generaties en hun kansen' (Meulenhoff 1992) deelt hij deze eeuw in vieren op.

De Vooroorlogse generatie werd tussen 1910 en 1930 geboren en zag haar kansen uitgesteld worden door de crisis in de jaren dertig, de oorlog en de wederopbouw. Aan het einde van hun werkzame leven maakten ze de economische opbloei van de jaren zestig en zeventig mee. Sinds ze vanaf 1975 met pensioen gingen, zijn ze grofweg in twee groepen uiteengevallen. Zij die alleen van een AOW-uitkering (en een klein pensioen) leven en degenen die voldoende pensioen opbouwden om als Woopies (Well-Off Older People) een tweede huis te kopen en geregeld een buitenlandse vakantie te boeken.

De Stille Generatie (1930-1940) heeft volgens Becker de meeste voorspoed gekend. Opgegroeid in de magere oorlogs- en crisisjaren kwamen zij op de arbeidsmarkt terecht toen de economie op stoom raakte en de schaarste aan werknemers zo groot was dat arbeiders uit Noord-Afrika werden gehaald. Alles zat ze mee. Zij zijn de groep die het Zwitserlevengevoel een gezicht gaven waarmee het handig adverteren is. Het is dit moment bovendien de generatie die veelal leidinggevende posities bekleedt. Kok en Bolkestein, Duisenberg en Ruding, Timmer en Herkströter, Mulisch en Nooteboom, Michels en Beenhakker - ze behoren stuk voor stuk tot deze generatie.

De Protestgeneratie (1940-1955) dwong democratisering van maatschappelijke instituties af op de golven van een grenzeloos economisch optimisme. Na de protesten ging deze generatie op in de instituties, waar ze nu zoniet de macht dan toch de meeste invloed heeft. In ieder geval is het, met dank aan de babyboom, in absolute aantallen de grootste groep met bovendien de meeste verworven rechten - van lease-auto tot hypotheekrente, van levensverzekering tot Vut. Alle voorwaarden voor een leven als Woopie zijn vervuld. Maar vooral door zijn omvang is dit ook de groep die de elasticiteit en solidariteit van de jongere generaties het meest op de proef zal stellen. Tegen de tijd dat deze generatie de AOW ingaat - dat begint over tien jaar - is er volgens macro-economen een serieus probleem met de betaalbaarheid van deze voorziening.

De Verloren Generatie (1955-1970) wordt gevraagd de portemonnee te trekken. Maar in haar ervaringen tot nu toe zijn weinig argumenten te vinden om veel voor de oudere generaties over te hebben. Na een anti-autoritaire opvoeding volgde de confrontatie met de economische terugval eind jaren zeventig en massale jeugdwerkloosheid begin jaren tachtig. Het arbeidsoverschot bleef nadien groot en de sociale regelingen voor de jonge generaties verschraalden.

De Pragmatische generatie is Beckers voorlopige benaming voor de jongste generatie (1970-1980). Die heeft zich volgens hem nog onvoldoende gevormd om een definitieve typering te geven.

    • Tom-Jan Meeus