Flexibel pensioen vervangt kostbare VUT-regelingen

ROTTERDAM, 27 JAN. Jarenlang hebben vakbonden met man en macht voor het behoud ervan gevochten, maar nu is de strijd om de VUT dan toch bijna voorbij. In de havens, de bouw, bij KNP BT en Akzo Nobel is de regeling al ter aarde besteld, bij Heineken en Philips wordt nu over het onderwerp onderhandeld. Unilever kondigde begin deze week trots het einde van de VUT aan. Als klap op de vuurpijl werd woensdag bekend dat ook de 850.000 ambtenaren vanaf 1997 aan een andere regeling voor vervroegde uittreding moeten geloven.

Met het verdwijnen van de VUT is niet gezegd dat de ambtenaren nu tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar moeten doorwerken. Via een systeem van flexibele pensionering (pré-pensioen) behouden ze de mogelijkheid eerder met werken op te houden. Ambtenaren kunnen straks op 62-jarige leeftijd stoppen en krijgen dan 70 procent van het laatst verdiende loon. De huidige VUT gaat op 61 jaar in en kent een uitkering van 75 procent. Tussen beide systemen bestaat één wezenlijk verschil: bij de VUT-regeling betalen de werkenden via premies rechtstreeks voor de uitkeringen van VUT-gerechtigden (het omslagsysteem), bij flexibele pensionering sparen werknemers voor hun eigen uitkering.

De VUT-regelingen, begin jaren tachtig massaal in Nederland ingevoerd, zijn al jarenlang een doorn in het oog van de werkgevers. Destijds leek dit systeem het ei van Columbus: door oudere werknemers sneller uit het arbeidsproces te halen konden meer jongeren aan de slag gaan. Omdat met name onder de laatste groep de werkloosheid omhoogschoot, en VUT-regelingen dus snel moesten worden ingevoerd, kozen vakbonden en werkgevers ervoor de uitkeringen via premieheffing onder werkenden te financieren.

De populariteit van de VUT bracht echter direct de ondergang nabij. Werknemers maakten vanaf het begin enthousiast gebruik van deze regelingen, gestimuleerd door werkgevers die de VUT als gemakkelijke weg beschouwden om personeelssaneringen door te voeren. Daarmee verwaterde het achterliggende doel van de VUT om oude werknemers plaats laten maken voor jonge intreders, en kwam de betaalbaarheid van het systeem onder druk. Zo betaalt de overheid als werkgever 4,65 procent van de totale loonsom aan VUT-premie. Door vergrijzing van het ambtenaren-apparaat zou deze premie in 2010 stijgen tot 7,2 procent.

Om de uitkeringen van VUT-gerechtigden te blijven betalen worden de premies voor werkgevers en werknemers steeds verder opgeschroefd. Veel werkgevers, onder wie minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken), willen niet langer aan de verhogingen meebetalen, waardoor de last voor werknemers oploopt. Ook de vakbonden hebben zich de afgelopen jaren gerealiseerd dat de VUT-systematiek op den duur niet houdbaar is. Hoewel uit alle onderzoeken blijkt dat werknemers sterk hechten aan de VUT, wordt tegelijk duidelijk dat de solidariteit van jongere werknemers op haar eind loopt - vooral omdat zij betwijfelen of ze zelf nog wel van de VUT gebruik zullen kunnen maken.

De nu ontwikkelde systemen van flexibele pensionering lossen een groot deel van de problemen op. In plaats van de solidariteitsheffing sparen werknemers in deze regelingen voor hun eigen uitkering. Voor hun heeft dat als belangrijk voordeel dat ze meer zekerheid krijgen (ze hoeven geen beroep meer te doen op de portemonnee van hun collega's). Bovendien kunnen er met het pré-pensioen veel meer individuele variaties worden ingebouwd: door bijvoorbeeld een hogere premie af te spreken kunnen werknemers zelf de ingangsdatum vervroegen. Ook kunnen ze ervoor kiezen langer door te blijven werken, waardoor hun uitkering hoger uitvalt.

Werkgevers zijn vooral blij dat ze door een flexibel pensioen af zijn van de wederkerende discussies over premiestijging. Bovendien past een pensioensysteem zonder vaste begindatum naadloos in het (in ieder geval officieel gepropageerde) beleid meer aandacht te besteden aan oudere werknemers. Van de beroepsbevolking boven de 60 jaar werkt nog maar een enkeling. Daar moet verandering in komen, beseffen de werkgevers, niet alleen omdat het veel geld kost, maar ook omdat het aantal jongeren op de arbeidsmarkt de komende jaren daalt.

Dat omzetten van een VUT-regeling in flexibel pensioen toch lastig is heeft bijna steeds dezelfde oorzaak: de overgangsregelingen voor degenen die al met VUT zijn of die niet lang genoeg meer kunnen sparen voor hun eigen flexibel pensioen. Voor deze groepen zou nog jarenlang VUT-premie moeten worden afgedragen. Dat is echter een te zware last voor de nog werkende oud-collega's die al voor hun eigen pré-pensioen moeten sparen.

Werkgevers willen dit probleem veelal oplossen door de uitkeringen voor de overgangsgroep fors te verlagen of de ingangsleeftijd te verhogen. Dergelijke voorstellen stuiten bij de achterban van de vakbonden steeds op fel verzet. In de bouwsector (200.000 werknemers) is vorig jaar zelfs vijf weken gestaakt omdat vakbonden en werkgevers er, na maanden onderhandelen, niet in slaagden een overgangsregeling financieel rond te krijgen.

Ook bij de onderhandelingen voor de ambtenaren heeft dit onderwerp veel vergadertijd genomen. In het regeerakkoord hadden PvdA, VVD en D66 afgesproken in 1998 ongeveer 1,5 miljard gulden te bezuinigen op de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren. Dit moest mede bereikt worden door 'versobering' van de VUT. De regeling zou alleen gelden voor ambtenaren met meer dan veertig dienstjaren. De bonden waren woedend.

Uiteindelijk kwam minister Dijkstal de bonden tegemoet. Afgesproken is dat ambtenaren die 50 jaar of ouder zijn vervroegd kunnen uittreden als ze 61 jaar worden. De groep die nu tussen 50 en 55 jaar is krijgt dan een uitkering van 70 procent; 55-plussers houden aanspraak op de huidige VUT-uitkering van 75 procent van het laatst verdiende loon.

Voor vakbonden en ondernemingsraden is het met de pensioendiscussie nog lang niet gedaan. Terwijl in verreweg de meeste bedrijven en sectoren de afschaffing van de VUT-regeling nog op tafel moet komen, heeft een werkgever als Philips al weer een ander aanvalsdoel gevonden. Als het aan dit elektronicaconcern ligt, worden aanvullende pensioenen (voor werknemers vanaf 65 jaar) straks niet langer gebaseerd op het laatste salarisniveau maar op het salaris dat tijdens de loopbaan gemiddeld is verdiend. Een idee dat ook andere werkgevers zeer aanspreekt, omdat zo'n systeem leidt tot lagere pensioenen en het de bedrijven bovendien gemakkelijker maakt oudere werknemers naar lagere functies over te plaatsen.

    • Cees Banning
    • Marcella Breedeveld