Doodseskaders blijven Spanje teisteren

MADRID, 27 JAN. Bijna negen jaar na hun laatste moord hebben de Grupos Antiterroristas de Liberación (GAL) de Spaanse politiek veranderd in een chaos van verdachtmakingen, ruzies en onverwachte handreikingen. Rechter Eduardo Móner van het Spaanse Hooggerechtshof stelde woensdag de socialistische ex-minister van binnenlandse zaken José Barrionuevo en diens voormalige staatssecretaris Rafael Vera officieel in staat van beschuldiging in verband met de GAL-doodseskaders. Beide voormalige bewindslieden worden ervan beschuldigd toestemming te hebben gegeven voor de ontvoering van de Baskische zakenman Segundo Marey in 1983 door de GAL. De gedetailleerde aanklacht maakt daarnaast melding van “leidinggevende functies” binnen de GAL en misbruik van staatsgelden voor de financiering van terreuracties.

Vijf weken voor de verkiezingen vormt de GAL daarmee een blok aan het been voor de socialistische partij van premier Felipe González. De GAL-doodseskaders pleegden in de jaren tachtig zeker 27 moorden in naam van de strijd tegen de Baskische afscheidingsbeweging ETA.

De aanklacht tegen Barrionuevo, zes jaar lang González' trouwe minister, is koren op de molen van de oppositiepartijen. Het ministerie van binnenlandse zaken stond van 1982 tot en met 1988 onder leiding van een terrorist, zo klonk het de afgelopen dagen met enige regelmaat. Binnen socialistische kring is de onrust dan ook groot. De uitbundige wijze waarop vrijwel het gehele partijkader de afgelopen maanden zijn solidariteit met Barrionuevo heeft betuigd, wekte al eerder wrevel bij de electorale aanhang. Het plaatsen van Barrionuevo op een hoge plek op de verkiezingslijst maakte het ongemak er niet minder op. Ook na de officiële aanklacht blijft Barrionuevo op de kieslijst, zodat de partij nu een van terreuracties beschuldigde kandidaat op een verkiesbare plaats heeft staan.

Hamvraag blijft in hoeverre Felipe González, socialistisch lijsttrekker bij de komende verkiezingen, zich nog langer aan de politieke verantwoordelijkheid voor de GAL-affaire kan onttrekken. González ontkent ooit iets van de kwestie te hebben afgeweten en wijst iedere verantwoordelijkheid van de hand. Maar de conservatieve oppositieleider José María Aznar - gedoodverfd winnaar van de komende verkiezingen - meende dat inmiddels geen enkele Spanjaard nog de woorden van González gelooft en verzocht de premier zijn politieke verantwoordelijkheid op zich te nemen.

De minister-president, die de afgelopen dagen zijn optredens beperkte tot enkele korte verklaringen, dacht daar anders over. “De veronderstelling dat Barrionuevo wordt veroordeeld, zal niet uitkomen”, zo voorspelde González met grote stelligheid. Zelf toonde Barrionuevo zich bitter over de beschuldiging. “Er bestaat geen rechtvaardigheid”, zo vatte de voormalige bewindsman en vertrouwenspersoon van de premier de kwaliteit van de Spaanse rechtsstaat samen. De beschuldigingen waren leugens, het proces onverdiend.

De GAL-affaire vormt niet alleen voor de socialisten een uiterst ongemakkelijke confrontatie met het verleden. In brede kring heerst de doorgaans verhulde opvatting dat geheime doodseskaders tegen de gehate ETA eigenlijk nog niet zo'n slecht idee zijn geweest. Zeker in de jaren tachtig toen de terroristen van de ETA honderden slachtoffers maakten bij hun aanslagen en zich ongestoord konden terugtrekken op Franse bodem. Dat de GAL-organisatie door aanhoudend geklungel en amateurisme voortdurend slachtoffers maakte onder mensen die niets met de ETA te maken hadden wordt daarbij hooguit opgevat als een onhandig minpuntje.

De morele tweeslachtigheid gaf politieke ruzies rondom de aanklacht van de ex-minister de afgelopen dagen dan ook dubbelzinnige trekjes. Hooggeplaatse partijgenoten van Barrionuevo bezwoeren zijn onschuld, maar lieten niet onvermeld dat de GAL slechts een twintigtal doden op zijn geweten heeft, terwijl de score van de ETA in de buurt van de 800 komt.

Een morele keuze in de kwestie werd voor de gemiddelde Spanjaard niet eenvoudiger door geruchten dat ook de Partido Popular (PP) van oppositieleider Aznar in de GAL-affaire niet vrijuit gaat. Leidende figuren uit Spanjes oppositiepartij, zoals de partij-oprichter en voormalig Franco-minister Manuel Fraga, zouden zich binnen de vroegere regeringen eveneens hebben schuldig gemaakt aan illegale acties tegen de ETA-aanhang, zo luidde de suggestie. Daarmee zou een verklaring zijn gevonden waarom de PP tot ieders verrassing begin december een parlementair onderzoek naar de GAL-affaire torpedeerde.

Terwijl hun partijwoordvoerders de afgelopen dagen hun uiterste best deden elkaar voor hypocriete leugenaars uit te maken, vielen premier González en oppositieleider Aznar juist op door mild gedrag. González prees het democratische gehalte van zijn rechtse voorgangers en verklaarde dat de strijd tegen de ETA ook bij hen binnen wettelijke grenzen had plaatsgehad. Aznar verbaasde vriend en vijand met zijn verklaring dat een regering onder zijn leiding geen nieuw onderzoek naar het schandaal zou willen openen.

De algehele verwarring die dit met zich meebracht schoof zelfs het nieuws over de meest recente acties van de ETA naar de achtergrond. ETA-terroristen ontvoerden elf dagen geleden een gevangenis-directeur. Nog onduidelijk is of het hier om een 'politieke ontvoering' gaat of dat er een losgeld wordt gevraagd. Dat laatste is wel het geval bij de Baskische zakeman Aldaia, die nu reeds acht maanden door de ETA wordt vastgehouden. Daarnaast wordt gevreesd dat de ETA-commando's de komende weken opnieuw aanslagen zullen plegen in verband met de verkiezingen die op drie maart worden gehouden.