'Den Haag moet rapporteur op Antillen en Aruba plaatsen'

DEN HAAG, 27 JAN. “Wij vertrouwen erop dat dit rapport niet in een lade verdwijnt. Wij hebben onze opdracht van drie regeringen gekregen en uit het overleg dat wij met ministers en politieke leiders op de Antillen en Aruba hebben gevoerd, leid ik af dat onze aanbevelingen directe invloed op het beleid zullen krijgen.”

Dat zegt minister van Staat jhr.mr. Emile van Lennep in een gesprek in zijn werkkamer op het ministerie van financiën in Den Haag over het rapport 'Schuld of toekomst'. De Commissie-Van Lennep, die verder bestaat uit hoge ambtelijke deskundigen uit Nederland, de Antillen en Aruba en de presidenten van de centrale banken van de rijksdelen in de West, heeft in tien maanden de schuldenproblematiek en de financiële noodsituatie op de Antillen en Aruba in kaart gebracht. Het resultaat is een rapport van 60 bladzijden, boordevol aanbevelingen voor sanering van de schulden en overheidsfinanciën en nieuw beleid op sociaal terrein, dat Van Lennep in de Antilliaanse hoofdstad Willemstad heeft gepresenteerd.

“Ons onderzoek had veel eerder gedaan moeten worden”, zegt Van Lennep. “Dit rapport moet niet selectief worden benaderd of in een politieke discussie worden ondergesneeuwd omdat de maatregelen pijnlijk zijn. Gelukkig kiezen de Antilliaanse en Arubaanse leiders met ons voor de weg van sanering. Uit gesprekken met werkgevers en werknemers hebben wij de indruk gekregen dat ook steun van die kant is te verwachten.

“Want als deze aanbevelingen niet royaal worden opgevolgd, leidt dat tot zeer ongewenste toestanden. Dan zal de Antilliaanse overheid de salarissen en rekeningen niet meer kunnen betalen. Dat moment is dichtbij. In sommige landen lost men dat op door extra geld te drukken. Maar dan gaan inflatie en devaluatie haasje-over spelen en keert de wal het schip. Terecht hebben de Antilliaanse autoriteiten die weg niet gekozen.”

Mr. Van Lennep onderstreept de ernst van de financiële situatie in de West. Zijn commissie legt niet de hoogste prioriteit bij het terugdringen van de miljardenschulden, maar bij het beheersbaar en betaalbaar maken daarvan, door ze niet verder te laten groeien. En bij een sanering van de overheidsuitgaven, verhoging van de inkomsten en drastische versterking van de overheidsapparaten, onder andere door meer bekwame ambtenaren aan te trekken die beter beloond moeten worden.

De schuldquote (de overheidsschulden als percentage van het bruto binnenlands produkt) van de Antillen is te hoog (80 procent), zeker voor deze kleinschalige, kwetsbare economie. Maar het zou volgens Van Lennep een onmogelijke krachtproef zijn om ze op korte termijn te halveren. “Dat zou geen evenwichtig beleid mogelijk maken, dan kan het inhalen van grote sociale achterstanden geen hoge prioriteit krijgen en dat is toch het eerste dat op de Antillen moet gebeuren.”

Voorrang voor het wegwerken van de begrotingstekorten en het creëren van evenwicht op de totale dienst is een kenmerkend advies van de commissie. “Dan bereik je op korte termijn een stabilisatie van de schulden en schep je ruimte voor vermindering”, aldus de minister van Staat. Voor zo'n beleid is aan de ene kant een sanering van de overheidsuitgaven nodig, concludeert zijn commissie, anderzijds moeten de inkomsten fors worden verhoogd door invoering van een omzetbelasting, betere inning van belastingen en beëindiging van allerlei vrijstellingen en uitzonderingen op de directe belastingen. Dan ontstaat er tevens ruimte voor versterking van het ambtelijke apparaat. Als essentieel onderdeel van de aanbevelingen op belastinggebied adviseren we ook een betere verdeling van belastingopbrengsten over het land en de eilandgebieden.

“Het wegwerken van het begrotingstekort in de komende paar jaar vermindert natuurlijk de ruimte voor sociaal heel klemmende zaken die de Antilliaanse regering moet behartigen”, voegt Van Lennep er snel aan toe. “Daarom doen wij ook een aanbeveling voor Nederlandse hulp op dit terrein, bijvoorbeeld speciale projecten voor jeugdzorg, voor verbetering van wijken die slecht zijn onderhouden en waar verpaupering en criminaliteit beangstigend toenemen, en voor het opheffen van achterstanden in het onderwijs.”

Van Lennep verwacht dat met name de Antilliaanse regering tegelijk met het inhalen van die achterstanden “redelijk hoge” prioriteit zal geven aan het verminderen van de schulden. “Dat is ook hard nodig, ze vormen een loden last voor de overheid. De Antilliaanse schuldquote is net zo hoog als de Nederlandse, terwijl wij een veel sterkere, minder kwetsbare economie en veel meer reserves hebben. Hier in Europa vinden wij een schuldquote van 60 procent al te hoog.” Maar hoe hoog een verantwoord schuldenniveau voor de Antillen en Aruba mag zijn, geeft de commissievoorzitter niet aan. “Dan zou ik direct door economen in de tang worden genomen, het is afhankelijk van allerlei interne en externe factoren: de economische groei, inflatie, rentestand en dergelijke.”

De stijging van de overheidsbestedingen heeft een grote druk op de Antilliaanse betalingsbalans gelegd. De deviezenreserves liggen “structureel ver beneden de internationaal aanvaarde minimumnorm van de waarde van drie maanden goedereninvoer”, aldus het rapport 'Schuld of toekomst'. Van Lennep: “Mede op mijn aanraden heeft de Antilliaanse regering vorige herfst, toen het gevaar dreigde dat op de financiële markten het vertrouwen in de Antilliaanse gulden zou worden aangetast, een stand by-krediet aan De Nederlandsche Bank gevraagd om de reserves zonodig tot een minimumniveau aan te vullen.” De Nederlandsche Bank is daar volgens Van Lennep toe bereid, “maar uitdrukkelijk op de voorwaarden die het Internationaal Monetair Fonds voor hulp uit zijn deviezenfonds stelt. Het IMF stelt scherpe voorwaarden voor ombuigingen in de begroting-1996 om de Antilliaanse betalingsbalans weer op orde te brengen. Die voorwaarden hebben een zekere band met ons advies, ze sluiten er mooi bij aan, maar de besprekingen tussen IMF en de Antilliaanse regering zijn nog niet afgerond.”

In de de eerste helft van de jaren tachtig kregen de Antillen met hun open economie na een periode van bloei te maken met forse tegenwind door een sterke opwaardering van de Amerikaanse dollar, analyseert Van Lennep. “De Antilliaanse gulden, die aan de dollar is gekoppeld, steeg net zo sterk mee. Dat tastte hun concurrentiepositie sterk aan. De inkomsten uit het toerisme kelderden door de devaluatie van de Venezolaanse bolivar die het gevolg was van de ineenstorting van de olieprijs. Daar kwam nog eens een fors verlies aan belastinginkomsten bij door sluiting van de raffinaderij van Shell, en een ongunstige wijziging van het belastingverdrag met de Verenigde Staten. Daarna is er scherp bezuinigd. Men moest veel improviseren en daarbij heeft men niet altijd even gelukkig geopereerd. Hoge financieringstekorten werden geaccepteerd. Het is makkelijk dat achteraf scherp te kritiseren, maar ik kijk met een zekere sympathie naar dat unieke stukje economische geschiedenis waarbij zo'n klein gebied in zeer korte tijd ongekend grote schokken heeft moeten verwerken.”

Toch vindt hij dat een krachtdadiger samenwerking in Koninkrijksverband op zijn plaats was geweest. Van Lennep constateert dat er door de Antillen bijvoorbeeld te sterk is bezuinigd op overheidsinvesteringen, op onderhoud, op de salarissen van hogere ambtenaren, terwijl er te veel lager kader werd aangesteld, en op het onderwijs.

“Nederland heeft altijd geaarzeld om krachtige initiatieven voor een echte beleidsdialoog op financieel-economisch terrein te nemen, uit vrees om de autonomie van de rijksdelen voor hun eigen binnenlandse beleid te doorkruisen. De Antillen en Aruba wilden niet van meer Nederlandse steun afhankelijk worden en ze zaten zeker niet op meer Nederlandse bemoeienis te wachten. Met ons rapport proberen we een bijdrage te leveren voor een nieuwe aanzet. Er moet een betere economische rapportage, met grotere frequentie, op gang komen. Ik vind dat er een vertegenwoordiger van Nederland met die speciale taak op de Antillen en Aruba moet worden gestationeerd. Aan de gouverneurs, die het staatshoofd vertegenwoordigen, kun je niet om een economische rapportage vragen. De Antillen en Aruba hebben in Den Haag toch ook gevolmachtigde ministers?”

    • Theo Westerwoudt