De Vliegende Hollander, een beetje houterige film

De acteur Ton Kuyl kan, 39 jaar na dato, een kreet van afgrijzen nauwelijks onderdrukken als hij wordt herinnerd aan de film De Vliegende Hollander.

Wat een patriottisch epos zou worden over de beginjaren van de vliegtuigbouwer Anthony Fokker, werd immers een faliekante mislukking, waarin volgens recensent W. Boswinkel van het Algemeen Handelsblad 'een lange rij lantaarnplaatjes muf en stoffig voorbijtrekt' en een aantal 'verklede personen' in benauwde binnenkamertjes 'druk komedie' stonden te spelen. De film, de eerste die werd gesubsidieerd door het Produktiefonds voor de Nederlandse Film, moet een deerniswekkende vertoning zijn geweest.

De eerste berichten die er anno 1957 over in de pers verschenen, waren nog hoopvol gestemd. Na ruim een jaar van algehele werkloosheid in de Nederlandse speelfilmindustrie werd in de Cinetone-studio's in Duivendrecht eindelijk weer gewerkt aan een nieuwe produktie. Het onderwerp was veelbelovend: een reconstructie van de jaren tussen 1909 en 1911, waarin de ondernemende Anthony Fokker studeerde aan de afdeling Flugtechnik van de Fachschule für Automobiltechnik in Mainz, zijn eerste modellen bouwde en ten slotte succesvol het luchtruim koos in zijn legendarische Spin.

Het pronkstuk van de onderneming, aldus een in bewonderende toon gestelde reportage in het katholieke dagblad Het Centrum, was een getrouwe kopie van die Spin, beschikbaar gesteld door het Nationaal Luchtvaart Museum en “zwaar verzekerd voor ettelijke tienduizenden guldens” overgebracht naar Duivendrecht. Trots liet regisseur Gerard Rutten zich fotograferen bij het uit zeildoek, latten en ijzerdraad vervaardigde vliegtuigje. Hij wilde, zei hij, zijn film 'bepaalde dichterlijke accenten' geven. Niet voor niets was het scenario dan ook geschreven door de dichter Ed Hoornik, terwijl de literator Jan Gerhard Toonder als regie-assistent meewerkte en de componist Henk Badings - om het baanbrekende karakter van Fokker te onderstrepen - de elektronische muziek zou leveren.

Voor de hoofdrol had Rutten de nog tamelijk onbekende, 36-jarige acteur Ton Kuyl geëngageerd. Een verslaggever van het Haarlems Dagblad was al tijdens de opnamen diep onder de indruk van diens inzet: “Als hij niet speelt en wacht tot hij weer moet beginnen, is zijn gezicht een masker. Men kan raden wat daarachter gebeurt en weet, als men hem in de scène heeft bekeken, dat hij tussentijds steeds bezig is met Anthony Fokker, met een karakter, dat bijzonder was omdat het de ziel was van en tegelijk de enorme hartstocht kweekte voor een idee, dat voor Fokkers tijd absurd was: te willen vliegen. En Ton Kuyl overweegt - ondanks het feit, dat hij vóór de verfilming zijn rol al heeft opgebouwd - voortdurend de allure, die als zuiver menselijk wordt herkend.”

Nog altijd is Kuyl van mening, dat de mislukking niet aan hem heeft gelegen. “Het zat allemaal een beetje houterig in elkaar”, zegt hij, “maar ik had daar toen absoluut geen zicht op. Het was mijn eerste film.” In de kritieken uit 1957 wordt zijn oordeel bevestigd. Boswinkel noemde hem “de enige toneelspeler die zich met een zeker gemak en een zekere vrijheid voor de lenzen heeft durven bewegen” - temidden van een groep acteurs die volgens de memoires van Gerard Rutten 'meestal te luid en te nadrukkelijk' hun rollen vertolkten. Niettemin kreeg De Vliegende Hollander voor de hoofdrolspeler geen vervolg: “Als je eerste film een flop wordt, ben je als acteur meteen besmet gebied. De filmsector is vervolgens geheel aan mij voorbijgegaan.”

De film verliep, naar het Rotterdams Nieuwsblad meldde, “traag en emotieloos via enige zwakke steunpunten naar een reeds lang voorziene climax”, waarbij de 'bleke toneeltekst' van Hoornik geen enkel enthousiasme kon oproepen. Alle critici wezen bovendien op het dilettantisme van de slotscène, waarin Fokker zich in zijn Spin eindelijk boven het zwerk van Haarlem verhief. Al te duidelijk betrof het hier een trucage: het vliegtuigje met inzittende was in de studio gefilmd, tegen de achtergrond van een geprojecteerde wolkenlucht. De bandjes van de vliegmuts van Ton Kuyl, die toch door de luchtverplaatsing in beweging hadden moeten worden gebracht, hingen doodstil langs zijn gespannen kaken.

“De exploitatie van de film werd een flop”, aldus Rutten in zijn autobiografie Mijn papieren camera. “Voor de producer, de heer Kroonenberg en zijn onderneming Corona-Films werd het een grote financiële strop. En voor mij een slechte landing!”

Intussen zou over Fokker een andere film kunnen worden gemaakt.

    • Henk van Gelder