Das en korenwolf floreren in aangekocht landgoed

Na lang onderhandelen met het fabrikantengeslacht De Béhault hebben Natuurmonumenten en haar Belgische zustervereniging het grensoverschrijdende landgoed Altembroek gekocht. “De natuur trekt zich niets aan van kunstmatige barrières.”

NOORBEEK, 27 JAN. De vage streep door een akker jonge tarwe zou een hond hebben kunnen achterlaten, meent L. Vos, districtsbeheerder van de Vereniging Natuurmonumenten. Maar het was onbetwistbaar een das. “We hebben hier met een wissel te maken, een eeuwenoud pad waar dassen op zoek naar voedsel langs trekken. Ja, het beestje floreert hier nog aardig. Ik schat dat we vijf of zes burchten hebben, onderaardse gangenstelsels waar complete dassenfamilies wonen, bij elkaar zo'n dertig à veertig dieren.”

De uiterste punt van Zuid-Limburg gaat glooiend en geruisloos over in de Voerstreek. Aan de ene kant Noorbeek met zijn stokoude kerkje, aan de andere kant het Belgische 's-Gravenvoeren. Daartussen ligt het 160 hectare omvattende landgoed Altembroek, grotendeels op Belgisch grondgebied. Het is de jongste aanwinst van Natuurmonumenten, het tweede grensoverschrijdende terrein waar de vereniging (samen met haar Vlaamse zusterorganisatie Natuurreservaten) beslag op wist te leggen na anderhalf jaar onderhandelen met het Brusselse fabrikantengeslacht De Béhault.

Er is in totaal circa drie miljoen gulden voor neergeteld, waarvan het Nederlandse aandeel door subsidies van rijk en provincie wordt gedekt. Ook de Vlaamse regering droeg aanzienlijk bij in de kosten, maar er gaapt nog een gat van bijna negen ton, dat via fondswerving in België moet worden gevuld. Volgende week maandag krijgt de transactie haar beslag bij notarissen in Tongeren en Eijsden. Natuurmonumenten gaat het geheel beheren omdat haar Belgische zustervereniging, die voornamelijk met vrijwilligers werkt, daarvoor de mankracht mist.

De 46-jarige Vos, die ruwweg 2.000 hectare tussen Weert en Vaals onder zijn hoede heeft, is zeer verguld met de recente aankoop. “Zeker in de natuurbescherming moeten we over landsgrenzen heenkijken. De natuur trekt zich niets van die kunstmatige barrières aan. Europees denken is de leus en daar beginnen we hier in het Limburgse werk van te maken.”

Altembroek sluit aan bij eerder verworven terrein en geldt als een gebied met 'hoge natuurwaarden', wat neerkomt op een rijke flora en fauna. Vos kan er liefdevol over uitweiden: “Hier broedt bijvoorbeeld de rode woud, een van de zeer schaarse Nederlandse broedgevallen, en hetzelfde geldt voor de waterspreeuw. We hebben de zeldzame vuursalamander en rugstreeppad en niet te vergeten de wilde hamster, die hier aan de uiterste noordrand van zijn verspreidingsgebied leeft.”

Het dier heet ook wel 'korenwolf', omdat hij in zijn wangzakken graankorrels verzamelt - een holbewoner, zo groot als een cavia en okerbruin van kleur. Zuid-Limburg kent nog slechts een restant aan hamsters die de grootste moeite hebben te overleven. “Dat komt door de moderne landbouw”, meent Vos, “en de landschappelijk verarming. Ook het verkeer eist regelmatig slachtoffers, zodat we jammer genoeg niet meer van een levensvatbare populatie kunnen spreken.”

Het huidige Altembroek op Nederlands territorium is royaal voorzien van rasters en prikkeldraad ter afscheiding van akkers en weiland, maar die versperringen gaan op last van de nieuwe eigenaar verdwijnen om de natuur vrij spel te geven. Runderen van het Schotse hooglander-ras worden ingezet om te grazen en zo de overgang tussen hellingbos en cultuurgrond vloeiender te maken. Vos: “We moeten weer zomen en mantels krijgen, struwelen van meidoorn en wilde roos, zodat het landschap voor de bezoeker nog aantrekkelijker wordt.”

Net over de grens ligt het bijbehorende landhuis, circa 150 jaar geleden in Engelse stijl opgetrokken op de plek waar ooit een middeleeuws kasteel heeft gestaan. Het is met enkele bijgebouwen een soort enclave, die van de overdracht aan Natuurmonumenten en Natuurreservaten werd uitgezonderd.

In de Voerstreek ziet het landschap er natuurlijker uit dan in Zuid-Limburg. Hagen en graften (met struiken en bomen begroeide terrasovergangen) zijn beter bewaard gebleven, het reliëf is minder gladgestreken en holle wegen zijn ongemoeid gelaten. Vos verklaart de verschillen: “De Voerstreek kon nog redelijk ongerept blijven, omdat het in verband met de taalstrijd jarenlang een twistappel is geweest. Vlamingen noch Walen hebben het tot ontwikkeling gebracht uit angst dat de tegenpartij van hun inspanningen zou profiteren. Zo is de agrarische revolutie grotendeels aan de streek voorbij gegaan. Dus ook geen ruilverkaveling met bijbehorende schaalvergroting en dat is de natuur ten goede gekomen.”

Wat voor de Voerstreek geldt, gaat volgens Vos in afgezwakte vorm voor heel België op. “België heeft nog relatief veel natuur en een kleine beschermende instelling: Natuurreservaten met 25.000 leden. In Nederland is het precies andersom. Bij ons is de natuur in ijltempo achteruitgegaan, waardoor de noodzaak om als natuurbeschermers de krachten te bundelen, steeds groter werd. En dat is ook gebeurd: Natuurmonumenten telt inmiddels 840.000 leden.”

Maar hij laat de moed wat Nederland betreft niet zakken: “Gelukkig tekent zich een zekere kentering af. De natuur begint langzaam uit het dal te kruipen.”

    • F.G. de Ruiter