Brrr....; De roes van barre temperaturen

Met zo min mogelijk inspanning zoveel mogelijk warmte genereren is de kunst. Koud zijn of koud hebben is de kwestie. Hoe voelt kou? 'Zachte armen, kou in de vorm van een verleidelijke sluimering, een weldadige rust.' Maar stop nooit een zaklantaarntje in je mond. Overwinteren met Van Zomeren.

Bij matige tot strenge vorst (wat nog altijd tot de mogelijkheden behoort) mag ik graag 's avonds laat nog even het huis uitlopen. Meestal heb je dan een combinatie van sterren en sneeuw en hieruit ontstaan betoverende nachten. Het is niet helemaal donker, maar het is ook niet helemaal licht - er zijn geen schaduwen. Alles staat en leeft in een egaal blauwachtig schijnsel en met een beetje geluk kun je een bosuil horen roepen, overdreven maar niet zonder goede bedoelingen. Ondertussen strijkt een harde hand over je gezicht en voelen ijzige vingers aan je oren. Het is een graad of tien onder nul, het is koud. Maar je bent erop gekleed. Warme sokken, warme broek en warme jas, desnoods een warme muts. Je hebt het niet koud. Koud zijn of koud hebben, dat is de kwestie. Zo maak ik een ommetje door het park bij ons in de buurt, en terwijl de bosuil nog wat op zich laat wachten ben ik mij heus wel bewust van de futiliteit van de uitdagingen die ik het hoofd loop te bieden. Dan denk ik aan dingen die worden verteld door mannen die werkelijke kou hebben meegemaakt, die tot min vijftig zijn gegaan. Uren heb ik met ze zitten praten, zonder overigens ook maar een seconde van jaloezie - waaruit je kunt afleiden dat het mij op deze wereld toch vooral om de verhalen begonnen is.

Kou in het noorden: Ko de Korte, 52, bioloog. Hij heeft een sleep herinneringen van boven de poolcirkel en geen twijfel mogelijk, die zijn hem dierbaar. Maar op de Galápagos is hij ook geweest, net onder de evenaar. Bij het vallen van de avond op dat warme strand je potje koken, God, wat was dat lekker, zo hóórt het toch eigenlijk. Want wij zijn tropische dieren, wij hebben het het gauw koud. Eskimo's ook hoor, eskimo's kunnen ontzettend klagen over de kou. Of, om ons weer tot onszelf te bepalen: wij hoeven daar niet heen, wij weten wat ons te wachten staat. Wie kou lijdt, zo vat De Korte zijn ervaringen samen, heeft zich gewoon niet goed voorbereid.

De laagste temperatuur in zijn bagage heeft hij meegebracht van Spitsbergen: min 46 bij een tocht over de Elfenbeenbreen, waarbij 'elfenbeen' staat voor ivoor en 'breen' voor gletsjer.

En al pratende groeit deze tocht uit tot een complete overwintering, van augustus '68 tot september '69, één van de laatste poolexpedities-klassieke-stijl. Gebrekkige verbindingen, transport per schip. In feite was het de ijsgang die besliste waar je aan land werd gezet en wanneer je weer werd afgehaald.

Toen hebben ze (vier landgenoten) een huis gebouwd op Edgeöya. Soms konden ze het binnen niet warmer krijgen dan plus 6. Dan doe je een extra trui aan. Of je kruipt in je slaapzak. Slapen, lezen, schrijven. Of je gaat naar buiten om wat beweging te nemen.

Van oktober tot februari was het nacht. Dan kon je er alleen bij volle maan op uit. Soms: geen zuchtje wind, geen enkel geluid, en dan hoorde je heel in de verte iets knerpen in de bevroren sneeuw. Rendier, poolvos, sneeuwhoen, ijsbeer.

Na het verstrijken van deze nacht moest er (te voet, op ski's) een boodschap worden gedaan in een plaats die honderdtwintig kilometer verderop in het westen lag. Elf dagen onderweg. Dan is min 46 eigenlijk maar een kleinigheid. Veel lastiger is het beklimmen van de ijsrichels die zich vormen op zee. Of de passage van stukken kale toendra, waaruit bij storm talloze kiezels worden losgerukt, zodat het lijkt of je onder vuur genomen wordt met hagelpatronen. En dan kleed je je niet zozeer op de temperatuur, dan kleed je je vooral op de inspanning, dan moet je voor alles voorkomen dat je gaat zweten. Zweet vormt ijs in je kleren. Zweet maakt dorstig. Je zult heel wat kilometers door de Sahara moeten sjouwen om net zoveel dorst te lijden als hij, De Korte, geleden heeft bij die tochten op Spitsbergen.

Nee, hij heeft deze gebieden nooit als vijandig ervaren. Nogmaals: het is allemaal een zaak van voorbereiding . Maar natuurlijk kunnen jaren van voorbereiding worden weggevaagd door een vlaag van onachtzaamheid.

Een keer op Noord-Ronay, op de Hebriden. Mei. Vijf boven nul, misschien wel tien. Hij zat urenlang op de grond bij een nest grote jagers en verzamelde een hele hoop gegevens, want dat is wat er op zo'n moment gebeurt: je vergeet jezelf, je bent als een held aan het werk, tot hij merkte dat hij slaperig begon te worden, bijna buiten bewustzijn was geraakt. Dan ben je het stadium voorbij dat je kou als onaangenaam ondervindt. Dan dringt het tot je door dat het werkelijk een makkelijke dood zou zijn.

Of toen hij door een onhandigheidje met het kooktoestel een gat in een van zijn wanten had gebrand en toch een paar uur was doodgeskied, de skistok in een hand die onvoldoende werd beschermd. Twee vingers bevroren. Jaren later nog werden ze gevoelloos zodra er kou in de lucht zat. Net of je het contact verliest met een deel van je lichaam. Heel beangstigend: dat je jezelf zo eenvoudig kunt verminken.

Of toen hij een zwarte zeekoet had geschoten, op Groenland. Nu berust het dier onder het Zoölogisch Museum in Amsterdam, maar toen viel het spartelend in het water. Hij zag kans het te bergen en daarna, toen hij terugliep, ontspannen, dat zul je altijd zien: die momenten van ontspanning zijn levensgevaarlijk, brak er een ijsschots doormidden. Dan treft de kou je als een mokerslag.

“Je kunt”, zegt hij, “beter een week omlopen dan het risico nemen dat je te water raakt. Het koudst heb ik het gehad in zodiacs die vol gas over water van nul graden celsius scheurden. Dat buiswater... afschuwelijk! Echte koulijders, dat zijn mensen die in het water liggen, die overboord zijn geslagen, drenkelingen.”

Zelfs in tropische wateren. Ga maar eens snorkelen in water van 8 graden, na een half uur kom je klappertandend aan land.

Wij zijn nu eenmaal geen vissen.

Wij zijn nu eenmaal geen vogels.

Toen op Spitsbergen...eind februari begon het te schemeren en daar kwamen de eerste vliegende vogels sinds maanden: vijf noordse stormvogels op zwerftocht. Daarna weer wekenlang niks en begin april: zwarte zeekoet, sneeuwgors, eidereend, kleine alk, grote burgemeester, toen werden vogels weer gewoon. Wonderlijk - hún probleem met het noorden zit hem niet in de kou, min 46 kunnen ze wel aan, maar in de beschikbaarheid van voedsel.

Kou in eigen land: George Schweigmaan, 71, textielhandelaar in ruste - vrolijke man; telkens als ik aan hem denk zit ik te glimlachen.

Hij heeft in 1942, 1947, 1954, 1956, 1963 , 1985 en 1986 de Elfstedentocht gereden. En als morgen de volgende wordt gehouden is hij er weer klaar voor. Kerels, zo werd hem als schooljongen ingehamerd, rijden de Elfstedentocht. Maar naast dat brute, dat aardse, heeft het ook iets verhevens. Tot IJlst rij je in het donker, handen los, klaar om te vallen. Dan wordt het licht, je doet je handen op de rug, je kent het ijs, je komt in je slag en je krijgt het gevoel: jongens, droom ik of rij ik echt de Elfstedentocht?

De meest barre was ontegenzeggelijk die van '63, de laatste Elfstedentocht van lange onderbroeken en wolle truien, een brok ijs op je rug en pakpier voor je borst (géén krantepapier; als dat nat wordt loopt de inkt uit).

Maar ook: de Elfstedentocht op de televisie, de Elfstedentocht die Reinier Paping als een heipaal in de vaderlandse geschiedenis heeft gestampt.

Het ijs was bar (overal aangekoekte sneeuw, hier en daar stonden de schotsen recht overeind) en het weer was bar (het had achttien graden gevroren en in de loop van de dag stak een verschrikkelijke noordoosten wind op). Van de 568 wedstrijdrijders kwamen er 57 aan de finish, van de ruim negenduizend tochtrijders maar 69 - Schweigmann als laatste, een kwartier voor middernacht, net voor het sluiten van de controle.

Hij was beresterk dat jaar, hij had zelfs overwogen met de wedstrijdrijders mee te doen.

Zijn vrouw lag in het ziekenhuis na de geboorte van hun achtste kind. Voor de andere zeven stond hij die vrijdagmorgen, de 18de januari, om vijf uur brood te smeren. Zelf nam hij havermoutpap met veel honing en suiker, zodat hij tot Bolsward niets meer nodig had. Om kwart over zes van start, bij de VW-garage aan het Van Harinxmakanaal.

Nu komt de kaart van Friesland op tafel, de route in het zwart. Elke kilometer een valpartij, elke minuut een herinnering.

Bij Woudsend heeft hij de kopgroep nog gezien. Paping, Piet Venema, Jeen van den Berg - ze kwamen hem tegemoet vanuit Sloten. Hij registreerde dat ze hem zagen. Even die koppen omhoog.

En eigenlijk is dit geen verhaal over kou, eigenlijk is dit het verhaal over een knie die werd opengeschopt bij de afslag naar Hindeloopen, over hechtingen die werden aangebracht in Warns en weer moesten worden verwijderd na een vreselijke smak op het ijs in Harlingen, over een moment dat je je opricht en moederziel alleen in het vlakke land blijkt te zijn, over muren van sneeuw, over schilletjes ijs onder je ogen en de waas van een witte verblinding, over een ijzer dat finaal van zijn ene schaats afbrak en de smid in Oude Leije die hem een paar nieuwe noren bracht - net een maatje te klein. Maar al had hij moeten lópen!

Vlak voor Bartlehiem, halfzes, de nacht al gevallen, het land helemaal leeggeblazen, heel Friesland zat inmiddels binnen aan de boerenkool, hield de baan plotseling op. Je wist niet links of rechts. Of toch - daar liep een randje riet, daar moest water zijn, ijs.

Om acht uur in Dokkum. Normaal gesproken ben je dan in een uurtje thuis, zeker met zo'n stormachtige noordoosten wind. Schweigmann dacht: ik wáái gewoon naar Leeuwarden toe. Maar nee. Niet met al die sneeuw die over de baan was gestoven. Al moet ik lopen, had hij gezegd, en lopen werd het. Nog vier uur te gaan.

En toen werd het alsnog een verhaal over kou - kou met heel zachte armen, kou in de vorm van een verleidelijke sluimering, een weldadige rust. Hij lag languit in een heerlijke hoop sneeuw en uit zichzelf was hij misschien nooit meer opgestaan. Maar vanaf Dokkum reden ze met z'n vieren. Een schooljongen hielp hem overeind en het leven ging door.

Pas na aankomst op de Groote Wielen, toen hij in een vrijwel onverwarmde kanoloods zijn kleren uitdeed om zijn verwondingen te laten inspecteren, toen hij op zijn blote voeten op die betonnen vloer kwam te staan, toen kreeg hij het koud. Maar toen deed het er niet meer toe. Schweigmann had het gehaald. Hij had bewezen dat hij een kerel was en in feite was het deze Elfstedentocht die hem de kracht gaf zijn textielhandel, door misfortuin in het ongerede geraakt, weer van de grond af op te bouwen.

Kou als gevechtsterrein: Bas Brust, 33, kapitein der mariniers. Zijn favoriete landschap ligt roerloos in de vorst, dik onder de sneeuw.

Als kind een koukleum, altijd snottebellen, nu mountain-leader, een gelouterde koudweerspecialist. Skiën, gletsjerlopen, bergbeklimmen - en al die dingen waar een ander vrij voor neemt, heeft hij in zijn opleiding gehad. Hij bewondert de grote alpinisten van heden en voorheen, blijkt de boeken van Bart Vos te lezen en begint geheel uit eigen beweging over een mannetje, dat als een bevroren aapje tegen een bergwand zat geplakt... maar ho even Bas, daar wou ik het later pas over hebben.

Zijn koudste belevenis ooit: een survival aan het eind van z'n speciale training bij Britse mariniers op Islay, ten westen van Schotland.

Dan krijg je naar willekeur uniformkleding uit de Tweede Wereldoorlog uitgereikt, bijvoorbeeld een broek waarvan het kruis volledig is uitgescheurd, en géén onderbroek.

Er worden groepjes gevormd van vier man en per eenheid krijg je de beschikking over 1 scheermesje, 1 naald, 3 lucifers en 3 hazestrikken om tien dagen lang in je levensonderhoud te voorzien. Dus je gaat terstond op zoek naar een eind touw om die ellendige broek dicht te binden en weldra eet je je eerste road-pizza, platgereden konijn.

Een paar Engelse jongens dachten slim te zijn en slikten een condoom in met een tien-pondbiljet, maar dat bleef als een soort denne-appel in de endeldarm steken en kwam pas op dag acht weer te voorschijn.

Wat de temperatuur aangaat: een paar graden boven nul, maar het regende voortdurend en die waterkou, daar kun je je haast niet tegen wapenen. Kapitein Brust: “Ik heb vier, vijf dagen aan één stuk door lopen rillen. Het was een onvoorstelbare lichamelijke inspanning. Elke dag ging ik dood. Brak ik maar een been, dacht ik. Maar op een gegeven moment besefte ik hoe lang ik het al had volgehouden en toen dacht ik, nou ga ik niet meer opgeven ook. De rest heb ik in een roes beleefd.”

Tot besluit werden ze samengedreven in een hangar en van top tot teen natgespoten, ze werden tot drenkelingen gemaakt. Ze werden geblinddoekt, geslagen, uitgescholden, opgejaagd en met hun handen tegen een ijskoude muur gezet. Ze werden kortom anderhalve dag lang als krijgsgevangenen behandeld, getest op hun weerstand tegen het onvermijdelijke verhoor door een vijandelijke inlichtingendienst.

Kapitein Brust: “Ik begon te klappertanden en wat ik ook probeerde, ik kon er niet mee stoppen. Ik was kapot. Als ze me nog één keer aanraken, dacht ik, sla ik terug. En dan was het afgelopen geweest, over en sluiten maar. Toen hoorde ik naast me ook klappertanden. Dat was een enorme opluchting.”

Goed, je wordt wat je worden wilt, je krijgt verantwoordelijkheden naar je capaciteiten. Voorlopig hoogtepunt: de leiding over 250 Hollandse jongens, een jaar geleden tijdens Nederlands-Britse manoeuvres in Noorwegen. Dergelijke oefeningen worden sinds 1973 jaarlijks gedurende de wintermaanden gehouden. Bij min 20 of min 3 of, rekening houdend met de wind, de chill-factor, minder dan min 50.

Eenvoudige dingen.

Doe nooit iets met je blote handen.

En hoe graag je je beide handen ook vrij wilt hebben bij het inrichten van je bivak, stop nooit een zaklantaarntje in je mond, het vriest ogenblikkelijk vast aan je lippen.

Al die dingen, die een ander misschien op één hoop zou vegen onder 'voorbereiding', vallen bij de mariniers onder het begrip discipline en als het over discipline gaat denkt de marinier behalve aan zichzelf ook aan zijn buddy - een marinier is nooit alleen.

Als de voeten van je buddy geel worden en wasachtig aanvoelen, dreigen ze te bevriezen.

Als zijn urine oranje of rood is, zou het weleens zo kunnen zijn dat je buddy heeft verzuimd om genoeg te drinken. Ja, alleen het drinken al, drie tot vijf liter per dag, vereist onder die condities een straffe discipline.

En die kou, hoezeer zij ook zelf al appelleert aan je mannelijke onverschrokkenheid, is nog maar een voorpost van je echte vijand - de vijand. Die kou is niet meer dan het decor in het theater van de oorlog. Maar al is het helemaal niet koud in dat theater, al moet het vaderland of de vrijheid of wat dan ook verdedigd worden onder de tropenzon, dan nog zal het korps mariniers baat hebben bij een saamhorigheid die is gekweekt in een arctische sfeer.

Kou als berekend risico: Bart Vos, 44, alpinist en schrijver. Wat het ook moge zijn wat hij in de bergen zoekt, schoonheid is het niet. Schoonheid is voor hem een storm op zee, de horizon in de Eemnesserpolder.

En van kou is hij helemaal niet gecharmeerd. In Nederland 's winters altijd op een drafje van de auto naar de voordeur, altijd te weinig kleren aan, een hekel aan jassen.

Een van de koudste momenten in zijn herinnering: een nacht in 1993 op de Palung-Ri, 7003 meter, westelijk van de Mount Everest, een solo-tocht. Overdag is het daar brandend heet, plus 30 of zo, en twintig minuten na zonsondergang is het opeens min 30, snijdend koud, zeker als er ook nog eens wat wind staat.

Vos had zich een lichte beklimming voorgenomen, met minimale bepakking zo snel mogelijk heen en weer. Maar de top bleek aan het eind van een verrassend lange graat te liggen. Zodoende zag hij zich uiteindelijk gedwongen te overnachten in een dun slaapzakje.

Slecht voorbereid? Een ingecalculeerd risico! Hij wou nou eenmaal licht klimmen, hij wist dat hij een dergelijk bivak kon overleven. Maar comfortabel was het natuurlijk niet.

“Je bent”, zegt hij, “op die hoogte altijd al rillerig. Je stofwisseling komt bijna stil te staan, van binnenuit krijg je geen warmte meer. En dan wordt het zo koud... dat je in je ellebogen de botten over elkaar voelt gaan.”

Dus daar zat hij. Van tijd tot tijd stak hij de brander aan die hij op zijn knieën hield. Oppassen dat niet de hele boel in de fik vliegt. Wakker blijven. Als je in slaap valt trekt de eeuwige kou via vingers en tenen je lichaam in. Vingers een beetje bewegen. Tenen een beetje bewegen. Niet gaan staan springen, niet wild met je armen zwaaien. Daar word je wel warm van, maar dat hou je niet vol, dan zou je van uitputting toch nog in slaap vallen. Met zo weinig mogelijk inspanning zo veel mogelijk warmte genereren, dat is de kunst. Niet op je horloge kijken. Tellen. Tot honderd. Tot vijfhonderd. Niet op je horloge kijken. Formuleren wat je gaat doen. Nu mag de brander weer even, Bart. Niet op je horloge kijken. Maar dan zul je eerst je aansteker moeten terugvinden, Bart. Niet op je horloge kijken. Eerst de woorden, dan de handeling. Hele zinnen. Geen flarden. Jezelf dwíngen tot hele zinnen, mét punten en komma's. Hoe lang is het nu geleden dat je voor het laatst op je horloge gekeken hebt? Tien minuten, vast wel. Vooruit dan maar, kijk maar op je horloge. Een halve minuut! Nooit valt het mee, nooit is er méér tijd verstreken dan je gedacht had.

Dat duurde van halfzeven in de avond tot halfzes in de ochtend. Toen kwam de zon op en een uur later zat hij alweer onder het zweet.

“Alles onder controle”, zo besluit Vos zijn verlag van die nacht. “Met avonturendom heeft het in feite niets te maken.”

Eens, op de noordwand van de Grand Jorasses in Mont-Blanc-gebied, heeft hij iemand aangetroffen die het niet zo laconiek kon navertellen.

Uit zijn Himalaya Dagboek: “Terwijl ik het laatste stuk van het bovenste ijsveld beklom, zag ik een meter of tien rechts van mij iets blauws uitsteken, Nieuwsgierig klom ik ernaartoe. Verborgen achter doorschijnend ijs zat iemand. De armen rustten op zijn knieën. Alleen de ellebogen staken uit het ijs. Hé, een mannetje, dacht ik. We markeerden de plek door een fel rode bivakzak op te hangen. Twee dagen later is het lijk geborgen. De klimmer had waarschijknlijk tijdens slecht weer een plateau uitgehakt, was gaan zitten en door kou of uitputting om het leven gekomen en vervolgens onder het ijs geraakt. Hij zat er vermoedelijk al een tijdje. We stonden een uur later aan de top. (...) Over het bevroren mannetje heb ik nooit anders dan grinnikend kunnen praten.”

Ja, dat mannetje.

Zo vredig als dat eruitzag.

Net of je alleen het ijs maar hoefde weg te hakken...dat hij je dan een hand zou geven...dat je dan een praatje met hem kon beginnen.

Dat was in 1981 en nog steeds, altijd grinnikend.

En toen dit nog: Bart Vos in zijn overhemd in de deuropening. Hij wreef zich kouwelijk over zijn bovenarmen en ik riep hem toe maar gauw naar binnen te gaan. “Kijk uit dat je geen kou vat!”

Maar eigenlijk was dat niet meer nodig, eigenlijk was het al duidelijk wat al die verhalen bij elkaar te betekenen hadden, namelijk dat kou, hoe objectief gemeten ook, altijd een hoogst persoonlijke ervaring is.

Wat mijzelf betreft: ik verras nog weleens iemand met mijn warme handen. Ondertussen weet ik zelf heel goed dat het kacheltje allang bezig is te temperen. Als kind had ik niet eens een warme jas. Bij kou één trui, bij extreme kou twee truien, gecompliceerder kon een winter niet zijn. Nu draag ik jassen met de thermische kwaliteiten van een berevel.

En het zal nog wel erger worden.

Hoogbejaard, bovenop de verwarming en toch bibberend van de kou - ik kan het me voorstellen.

Kennelijk is ook het klimmen der jaren een vorm van alpinisme.

    • Koos van Zomeren