Besmet met het verleden

TINA ROSENBERG: The Haunted Land. Facing Europe's ghosts after communism

437 blz., Random House 1995, ƒ 49,25

Vera en Knud Wollenberg, een getrouwd stel van achter in de dertig, waren afkomstig uit gegoede communistische families in de voormalige DDR. In februari 1981 raakten ze betrokken bij de dissidente vredesbeweging in hun land. Knud droeg een baard, geitewollen sokken en sandalen. Vera ging zonder make-up en in simpele kleding door het leven. Terwijl Vera een prominente positie in de vredesbewegingverwierf, zorgde Knud voor de kinderen. In het begin van 1988 sloeg de Stasi toe. Vera werd gearresteerd en verbannen naar Engeland. “Laten we de Stasi niet vergeten”, had Knud altijd gezegd, “maar laten we evenmin al onze tijd verdoen met erover te praten”.

Op de dag dat de Muur viel, keerde Vera terug naar Berlijn. Ze werd gekozen in de Volkskammer en, na de vereniging van beide Duitslanden, in de Bundestag. Eind 1991 kreeg Vera inzage in haar Stasi-dossier. Het bevatte een groot aantal rapporten van een informant met de codenaam 'Donald'. 'Donald' wist alles: de prijs van het huis dat ze ooit op het oog hadden, passages uit de brieven aan haar zoon, geheime reizen die ze had gemaakt. 'Donald', realiseerde Vera zich vrijwel onmiddellijk, was haar echtgenoot.

Afgerekend

Het huwelijk van de man die zijn vrouw bespioneerde eindigde in een echtscheiding. Zo gemakkelijk komen de meeste Oosteuropeanen niet af van hun communistische verleden. De Amerikaanse journaliste Tina Rosenberg beschrijft in haar The Haunted Land hoe in Tsjechië en Slowakije, in Polen en in de voormalige DDR wordt omgesprongen met de herinnering aan vier decennia communisme, of eigenlijk, hoe er wordt afgerekend met degenen die voor 1989 aan de verkeerde kant stonden. Het boek is vlot geschreven journalistieke verhandeling - leesbaar, ondanks de talloze overbodige uitweidingen, en informatief, ondanks de vele kleine slordigheden (historische kennis van oostelijk Europa is niet Rosenbergs sterkste kant). Het is één van de eerste vergelijkende studies naar de wijze waarop de Oosteuropese samenlevingen met hun communistische verleden in het reine trachten te komen.

Zes jaar na de val van de Muur blijkt dat de herinnering aan het communisme in oostelijk Europa een aanzienlijk complexer verschijnsel is dan velen in Oost en West aanvankelijk vermoedden. De communistische praktijk van weleer noch de herinnering aan het communisme kan worden vervat in de simpele tegenstelling tussen 'daders' en 'slachtoffers'. In zekere zin was iedereen zowel slachtoffer als dader was, merkt Rosenberg op. Bovendien blijken deze categorieen in de herinnering van veel Oosteuropeanen in sterke mate aan betekenis hebben ingeboet. De tegenstelling tussen 'dader' en 'slachtoffer' staat een goed begrip van de communistische realiteit in de weg en beantwoordt niet aan de wijze waarop een groot deel van de Oosteuropeanen zich het communisme herinnert. En, zo blijkt uit The Haunted Land, ze is onbruikbaar als leidraad bij de beantwoording van de vraag: wat te doen met de talloze dienaren (in partij, in leger, in geheime dienst) van het ancien régime? Rosenberg richt zich vooral op de morele ambivalentie van politieke zuiveringen. “Wie is er schuldig in samenlevingen waarin vrijwel iedereen gedwongen was op de één of andere wijze met het systeem te collaboreren?” vraagt ze zich terecht af. “Wie is er gerechtigd te oordelen?”

In geen enkele staat in oostelijk Europa zijn de politieke zuiveringen zo krachtig ter hand genomen als in de Tsjechische Republiek. Rosenbergs oordeel over de Praagse 'lustratie' is echter bijzonder negatief. De zuiveringen waren gebaseerd op de simpele veronderstelling dat iemand wiens naam in de lijst van medewerkers van de geheime dienst (de StB) voorkwam zonder reserve moest worden beschouwd als een informant.

De registers bleken echter onvolledig. Ze bevatten niet de namen van degenen die de geheime dienst informatie verschaften uit hoofde van hun functie: functionarissen in de buitenlandse handel, personeel op ambassades, professionele spionnen of hoge officials in de partij. De dossiers waren onbetrouwbaar. Onder de honderdduizenden informanten die de commissie in de dossiers aantrof bevonden zich talloze dode zielen, gefingeerde personen opgevoerd door overijverige en hebberige ambtenaren. In de registers werd bovendien geen onderscheid gemaakt tussen de eenmalige, onwillige informant en de onverbeterlijke schurk, stelt Rosenberg, en met de historische context waarin één en ander zich afspeelde werd al helemaal geen rekening gehouden. Haar conclusie: schuldigen werden ongetwijfeld ontmaskerd, maar onschuldigen liepen een grote kans ten onrechte te worden gebrandmerkt als informant.

Jaruzelski

De zuiveringen in de Tsjechische Republiek staan in schril contrast tot de wijze waarop de Polen zijn omgesprongen met hun voormalige communistische regeerders en geheime informanten. Van een 'lustratie' van enige omvang was geen sprake. Rosenberg concentreert zich op de lotgevallen van generaal Jaruzelski: de partijleider, premier, president en opperbevelhebber onder wiens verantwoordelijkheid op 13 december 1981 de 'staat van oorlog' werd uitgeroepen en een kleine tien jaar later het communisme in Polen werd ontmanteld. Jaruzelski moest in 1992 verschijnen voor een parlementaire onderzoekscommissie. Aanvankelijk werd hij beschuldigd van machtsmisbruik en corruptie, later van verraad. Een onzinnige aanklacht, meent Rosenberg.

Zij schetst een sympathiek portret van de generaal, deels op basis van persoonlijke gesprekken, maar concludeert desalniettemin dat diens interpretatie van de geschiedenis afwijkt van de historische werkelijkheid. Het draait allemaal om de vraag waarom Jaruzelski in december 1981 de 'staat van oorlog' invoerde. De generaal heeft zijn besluit altijd voorgesteld als een 'kleiner kwaad', als een noodzakelijke maatregel ter voorkoming van een militaire invasie door de Sovjet-Unie. Rosenberg plaatst de nodige kanttekeningen bij deze interpretatie. Het Kremlin zou juist enkele dagen voor de uitroeping van de 'staat van oorlog' te kennen hebben gegeven géén invasie te overwegen, meent zij op basis van nogal vage en tegenstrijdige aanwijzingen.

De vraag of Jaruzelski een 'held' of 'verrader' (de termen die Rosenberg gebruikt) was, lijkt me irrelevant. Hij was vooral een gevangene van zijn eigen verleden. Als balling in Siberië tijdens de oorlog, als militair in het Poolse leger en als politicus - zijn hele leven heeft in de schaduw gestaan van de overweldigende, genadeloze macht van de Sovjet-Unie. Jaruzelski heeft de belangen van de Poolse staat, van het communistische regime en van de Sovjet-Unie altijd als een heilige drie-eenheid beschouwd. En handelde dienovereenkomstig, voor en na 13 december 1981.

De juridische procedure tegen Jaruzelski werd stopgezet toen de voormalige communistische partij in Polen de macht overnam. Terecht, meent Rosenberg. Jaruzelski's politieke daden dienen niet door juristen maar door historici te worden beoordeeld. Ze is opmerkelijk positief over de strategie die de Polen hebben gekozen ten aanzien van de zuivering van voormalige communistische leiders, de strategie van de 'Thick Line'. Rosenbergs visie op de wenselijkheid van politieke zuiveringen in Centraal-Europa wordt weergegeven in de vergelijking die ze maakt met de voormalige dictaturen in Latijns Amerika: “De Oosteuropese dictaturen waren criminele regimes, de Latijns-Amerikaanse dictaturen waren regimes van criminelen.” De vergelijking gaat mank, maar The Haunted Land bevestigt niettemin de conclusies die op basis van eerder onderzoek naar politieke zuiveringen elders zijn getrokken. De verwijdering van dienaren van het ancien régime stuit vrijwel altijd op grote technische, politieke en morele problemen. Ze beantwoordt zelden aan het beoogde doel.

    • A.W.M. Gerrits