Beschavende nuchterheid

J.C. VAN DER STEL: Drinken, drank en dronkenschap. Vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland

553 blz., geïll., Verloren 1995, ƒ 79,-

ANDREW BARR: Drink. An Informal Social History

401 blz., Bantam Press 1995, ƒ 53,50

In het licht van de historie is de moderne westerse drankgebruiker onvoorstelbaar matig. Hoe vaak zien wij - tenzij wij op zaterdagnacht het centrum van, zeg, Breda bezoeken - nog iemand die echt lazarus is? Het verbruik van gedistilleerd is in Nederland al twintig jaar aan het dalen - en het naoorlogse hoogtepunt van 1975, 3,4 liter per hoofd van de bevolking, was nog lager dan het cijfer van 1900, dat 4,1 liter bedroeg. Het alcoholverbruik als geheel is al jaren stationair, en het aantal alcoholmisdrijven in het verkeer loopt gestaag terug.

Vroeger was dronkenschap leuk. Je helemaal vol te laten lopen werd afgekeurd door de dominee en de dokter, maar veel anderen zagen het als een plezierige bezigheid. Nu geldt dat nog maar in een enkele subcultuur. In negentiende-eeuwse kranten stonden anekdotes over beschonken mannen die koddige dingen tegen agenten zeggen, of geplaagd worden door straatkinderen. Openbare dronkenschap was weliswaar vanaf 1881 verboden, maar hoorde bij het straatbeeld. De populaire pers schreef erover in dezelfde trant als die waarin de media nu seks behandelen: als een kwestie van 'je eens lekker laten gaan'.

In de film werd tot een generatie geleden geen he-man binnenshuis aangetroffen zonder een glas whisky in de hand (en in de andere een sigaret). Geen gesprek kon gevoerd worden zonder dat eerst uit de karaf op het buffet de glazen waren gevuld. Maar ook echte dronkenschap werd kennelijk veel aandoenlijker gevonden dan nu. Charlie Chaplins onvergetelijke dronkemansscènes, bijvoorbeeld die waar hij met moeite een trap probeert te beklimmen en daarna in gevecht raakt met een opklapbed, zijn hoogtepunten in een cultuur die op dat gebied anders was dan de onze. Argelozer, zou je haast zeggen.

In de Verenigde Staten staat tegenwoordig op flessen alcoholhoudende drank een waarschuwing, net als op pakjes sigaretten. De tekst spreekt van gevaren tijdens de zwangerschap, van verminderde rijvaardigheid en algemene gezondheidsrisico's. Andrew Barr, de schrijver van het boek Drink, trekt de sombere conclusie dat over een paar jaar op het gebied van drank dezelfde onverdraagzaamheid zal heersen - overgewaaid uit Amerika - als op dat van het roken.

Hij heeft misschien wel gelijk. Kort nadat ik zijn prognose las, zag ik in een filmprogramma op de tv een scène uit een Amerikaanse film die handelt over de relatie tussen een zwaar drinkende reclameman en een jonge vrouw. Vlak na hun kennismaking vroeg zij: “Why are you killing yourself?” Korter valt het gezondheidskundig moralisme van de jaren negentig niet samen te vatten. Wie drinkt, is zichzelf willens en wetens aan het beschadigen - en dus een lor.

Geneeskrachtig

Alcoholische dranken hebben in het leven van mensen eeuwenlang een belangrijke, zo niet onmisbare rol gespeeld. Bier (in noordelijke streken) en wijn (in zuidelijke) werden genuttigd door groot en klein. De licht-alcoholische drank was heel wat veiliger dan water uit put of sloot, en werd ook om zijn voedingswaarde gewaardeerd.

Daarnaast kregen wijn en bier in vrijwel alle culturen speciale functies toebedeeld vanwege hun geheimzinnige uitwerking op de menselijke geest. Het effect is zoals bekend te danken aan een stof, alcohol, die ontstaat door een op zijn beurt geheimzinnige gistingsproces. De volgelingen van de profeet Mohammed werd alcohol verboden; in andere religies kreeg drank een rituele rol, zoals in het christendom de avondmaalswijn.

Bovendien werden alcoholhoudende dranken als geneeskrachtig beschouwd, zowel in- als uitwendig toegepast. De barmhartige Samaritaan goot olie en wijn over de wonden van de onfortuinlijke reiziger. Over alcohol als medicijn heeft Andrew Barr in zijn Drink een paar sterke anekdotes. Zo liet Karel II, koning van Navarra in de veertiende eeuw, zich op doktersadvies in met brandewijn doordrenkte lappen wikkelen, die vervolgens stevig moesten worden dichtgenaaid. Toen een knecht na dit karweitje probeerde de draad met een kaars door te schroeien vatte het omhulsel vlam, en de koning stierf een afschuwelijke dood. (Geruststellend voegt Barr hieraan toe dat dit door weinigen werd betreurd: de koning werd bekend als Karel de Slechte.)

Ondanks al zijn lezenswaardige verhalen en verscheidene verhelderende inzichten is Barrs boek niet helemaal geworden wat het voorgeeft te zijn: een sociale geschiedenis van de drank. De schrijver is een in Oxford opgeleide historicus die over wijn heeft geschreven in bladen als de Times en Vogue. Wat hij uiteenzet is vooral de voorgeschiedenis van het hedendaagse Britse drinkpatroon vanaf de achttiende eeuw; de rest haalt hij er alleen bij als hij toevallig iets te vertellen heeft. Lange terzijdes over de Engelse drankwetten, of over de verschillen in wijnbouwtechnieken tussen Frankrijk en Californië, moet de lezer voor lief nemen (of overslaan).

Van der Stels Drinken, drank en dronkenschap. Vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland is vergeleken hierbij van een verpletterende ernst. Het is dan ook een proefschrift, en wel een dat zich presenteert als 'historisch-sociologische studie'. De auteur is echter historicus noch socioloog, maar andragoloog die al jaren werkt in de 'verslavingszorg', zoals het in een levensbeschrijving achterin zijn boek heet.

Als dit een beetje sceptisch klinkt, is dat niet toevallig. Van der Stels boek, ingedeeld volgens het 1.1.1, 1.1.2-principe, is bij al zijn verdiensten twee keer te dik, en over sommige zaken drie keer te uitvoerig. Dat geldt zeker voor de zuiver institutionele perikelen van de bureaus die zich in Nederland hebben beziggehouden met hulpverlening aan drankzuchtigen. Vooral in het laatste deel, over de naoorlogse periode, moet zelfs de meest welwillende lezer gek worden van de afkortingen (“Het bestuur van de FZA stelt zich op het standpunt dat de CAD's lid moeten kunnen blijven van de NVAGG, omdat de CAD's en de AGGZ sterke raakpunten en overlappingen hebben,” (blz. 417).

Plezier

Bovendien is Van der Stel dol op formules: dingen zijn nooit gewoon zus of zo, maar kunnen worden gekenschetst, en elke manier van doen is een interventiemethode. Waar begrippen als verzuiling en ritueel ter sprake komen is dat goed voor lange uitweidingen over die toch niet geheel onbekende zaken, en zelfs de Industriële Revolutie kan niet worden geïntroduceerd zonder een samenvatting van haar achtergronden.

Ergens diep in dit dikke boek zit een boeiende geschiedenis: aan het begin is zij nog goed te onderscheiden, maar aan het eind raakt zij helemaal ondergespoeld, zoals bij een scheepswrak dat op de kust is geworpen, en waarvan de achtersteven schuil gaat in een oceaan van woorden en formules.

Maar genoeg over de zwakheden van dit werk; de boeiende geschiedenis verdient enige toelichting.

Een nieuwe fase in de geschiedenis van het drinken begon aan het eind van de middeleeuwen met de uitvinding en verspreiding van gedistilleerde dranken, zoals brandewijn. Dit waren de eerste dranken die niet bij de maaltijd of tegen de dorst werden gedronken, maar om het plezier van drinken en dronkenschap. En hoewel er altijd wel wijzen en geestelijken waren geweest die matigheid predikten, werd nu steeds vaker gewaarschuwd tegen overmatig drankgebruik. De arts Johan van Beverwijck (1594-1647) waarschuwde in zijn veelgelezen tractaten tegen de 'Rasernye sonder Koortsche' van de alcohol. Hij had zelfs al de funeste uitwerking waargenomen van veel sterke drank op lever en milt, die 'soo hart ende droogh (zijn) alsof sy gebraden waren'.

In de achttiende eeuw duikt voor het eerst het begrip verslaving op, voor Van der Stel aanleiding voor een verhandeling over de slavenhandel; het verband dat hij legt doet nogal literal-minded aan. Maar overeind blijft wel de conclusie dat zelfbeheersing, en de onwaardigheid van het verlies daarvan, steeds belangrijker wordt.

Toenemende zelfbeheersing bij afnemende dwang van buiten: het is de socioloog Norbert Elias wiens visie op de geschiedenis hier weer eens goed toepasbaar blijkt. Dat doet Van der Stel dan ook, met enige kanttekeningen omdat, zoals hij opmerkt, Elias' civilisatietheorie een wat al te harmonieus en rechtlijnig beeld van de geschiedenis geeft. Het is trouwens wel jammer dat Elias zelf vrijwel niets over drankgebruik heeft geschreven, terwijl dat zo goed in zijn theorie zou hebben gepast.

In de loop van de negentiende eeuw ontstaat de georganiseerde drankbestrijding, die in Nederland - net als in het buitenland - velerlei facetten en stromingen kent. De eerste drankbestrijders waren alleen tegen brandewijn en jenever, en vóór bier (voor het volk) en wijn (voor de betere standen). Er waren ook internationale bewegingen, zoals die voor plaatselijke keuze ofwel de Local Option, waarbij de bevolking van een gemeente of provincie zou kunnen kiezen voor drooglegging. Ook Andrew Barr schrijft hier iets over. Aan de Anonieme Alcoholisten daarentegen, toch ook een internationale beweging van betekenis, maakt geen van beide auteurs meer dan een woordje vuil.

De drankbestrijding wordt in Nederland een echte volksbeweging, niet alleen gedragen door notabelen die het volk willen verheffen, maar steeds meer ook door de kleine man zelf. Bij de geheelonthoudersverenigingen, waarvan het aantal vanaf 1890 snel groeide, kunnen gezelligheid en alternatieve rituelen worden gevonden. Hun leden steken de hand uit naar de zwakke broeders die soms een kwart of meer van hun karige loon aan jenever uitgeven.

Vanaf 1880 tot het eind van de jaren dertig neemt het drankgebruik in Nederland snel af. In liters zuivere alcohol per hoofd van de bevolking daalt het van zeven naar ruim onder de twee. Noch de toegenomen welvaart, noch de armoede van de crisisjaren leidt tot een stijging - het lijkt alsof het Nederlandse volk simpelweg wijs wordt of, om met Norbert Elias te spreken: beschaafd. Dat die spectaculaire daling werkelijk aan de drankbestrijding te danken is gelooft niemand in ernst, ook Van der Stel niet. Wel had zij zeker te maken met het grote 'beschavingsoffensief' in de decennia rond 1900.

Na 1945, als op zoveel terreinen oude strengheid vervaagt, begint ook het drankgebruik weer toe te nemen. De auteur spreekt als rechtgeaarde Eliasiaan van 'informalisering': als de zelfbeheersing eenmaal regel en gewoonte is geworden, neemt de angst voor excessen af.

Aan het begin van de twintigste eeuw ontstaan de eerste consultatiebureaus voor alcoholisten, een type voorziening dat tot op de dag van vandaag is blijven bestaan. Met de oprichting van die bureaus treedt een tegenstelling aan het licht waar tot dan toe niemand last van had gehad, al bestond zij wel: die tussen de medische en de moralistische benadering van alcoholproblemen.

Is alcoholisme een ziekte? Die vraag werd steeds klemmender. Op de consultatiebureaus zaten naast maatschappelijk werkers ook artsen, maar medicijnen hadden zij niet te bieden. Tussen de zeventiende eeuw (toen doktoren 'walgingsmiddelen' bedachten) en de jongste decennia hebben maar weinig medici de illusie gehad dat alcoholisme met pillen te bestrijden is. Eigenlijk leken de bemoeienissen van artsen met de alcoholbestrijding en -hulpverlening in hoofdzaak nuttig om voor een zekere status, dus gezag, te zorgen. Zelfs de invloedrijkste bepleiter van de medische benadering, de Amerikaan E.M. Jellinek (1890-1962), heeft de zaak niet wezenlijk verder geholpen. Ook hij kon niet duidelijk maken wat het betekent als alcoholisme een ziekte is. Als dat zo is, vallen ziekte en symptoom samen; voor het beter worden blijft allereerst de wil van de patiënt nodig.

Consultatiebureaus

Tussen de regels van Van der Stels steeds ondoordringbaarder relaas lezen wij hoe in de naoorlogse periode de spanning tussen medische en moralistische aanpak een welhaast tragisch aspect kreeg. Dat kwam doordat de consultatiebureaus zich ook gingen bezighouden met reclasseringswerk. Zij werden daarvoor door Justitie betaald, en waren al gauw volledig afhankelijk van dat geld. Het gevolg was dat het overgrote deel van de bezoekers onvrijwillig kwam, en zo in een heel andere situatie verkeerde dan 'normale' patiënten. Daarmee werd het werk van de bureaus ingewikkeld en halfslachtig.

De eerste decennia na de oorlog is er overigens weinig belangstelling voor alcoholbestrijding, behalve een beetje vanwege de verkeersveiligheid; Van der Stel vindt dat de drankbestrijders in deze periode 'de aansluiting missen'. Vanaf de jaren zeventig wordt de aandacht voor alcohol bovendien overvleugeld door die voor drugs, een zo veel bijdetijdser en spannender probleem.

Maar of dat laatste eigenlijk wel zo erg is, is de vraag. Want als dit boek één conclusie heeft, dan is het dat het uiteindelijk allemaal toch niets uithaalt. Preventie, in de zin van op grote schaal waarschuwen en moraliseren, heeft misschien nog enig effect, meent Van der Stel. Dat zou je kunnen afleiden uit de ontwikkelingen in de eerste helft van deze eeuw. Verslavingszorg kan wellicht individuen helpen, maar heeft het totale drankgebruik nooit verminderd. Het succespercentage, het aantal 'genezenen' dus, ligt bij hooguit een vijfde van de behandelde verslaafden en is in honderd jaar niet verbeterd. En dat is, met een hier misschien wat navrante term, een ontnuchterend feit.